Na de acties van Navo-vliegtuigen en de multinationale eenheden op de berg Igman is het rustig geworden in Sarajevo. Nederlandse mariniers beleven er de omgekeerde situatie van Srebrenica: “Wíj maken hier de dienst uit, wíj hebben het hier voor het zeggen. En niet de Bosnische Serviërs.”
Hij staat naast een 120 millimeter geschut, een van de zes mortieren die Nederlandse mariniers hebben opgesteld op Mount Igman, de strategische berg ten zuidwesten van de Bosnische hoofdstad Sarajevo. Het zijn precisie-wapens die, afhankelijk van het type granaat, een bereik hebben van acht of dertien kilometer.
Ze hebben hun werk prima gedaan. De Bosnische Serviërs, die Sarajevo jarenlang hebben belegerd, zagen zich gedwongen hun zware wapens rond de stad terug te trekken. Het was de Britten, de Fransen en de Nederlanders menens. Het vliegveld is weer open, en op de wegen in en rond de stad kunnen VN- en Navo-militairen ongestoord rondrijden, zonder hinderlijke check-points.
Met de mortieren hebben ze 'die Bosnische Serviërs eruit geschoten', zoals een van de mariniers het kernachtig uitdrukt. Stoere taal van Nederlandse militairen, die naar eigen zeggen met de neus in de boter zijn gevallen en die vlak nadat ze 'de tuin' waren ingestuurd, zoals mariniers het terrein van Mount Igman noemen, bij gevechten werden betrokken. “En vechten is ons vak.” Onder andere door hun inbreng (maar vooral die van de Navo-vliegtuigen) heeft de oorlog in Bosnië een ander gezicht gekregen. Er zijn zelfs vredesbesprekingen in New York op gang gekomen.
Zoete wraak voor de smadelijke val van Srebrenica? De gebeurtenissen in deze moslimenclave, die deze zomer zonder slag of stoot aan de Bosnische Serviërs werd overgedragen, denderen nog steeds na in de Tweede Kamer en de media. Heeft Dutchbat wel juist gehandeld? De naam Srebrenica is taboe in het kamp van de mariniers op Mount Igman. 'Geen commentaar', zeggen ze stuk voor stuk, alsof ze van hogerhand opdracht hebben gekregen om over deze pijnlijke affaire te zwijgen. Maar uit opmerkingen van mariniers valt op te maken dat de val van Srebrenica wel degelijk in hun achterhoofd meespeelt. “Wíj maken hier de dienst uit, wíj hebben het hier voor het zeggen. En niet de Bosnische Serviërs.”
Marinier I Herman Gorter, stukscommandant van een van de zes mortieren, kan zich de avond van de eerste beschietingen, eind augustus, nog goed herinneren. “We hoorden de Navo-vliegtuigen overkomen. Het was een spookachtig geheel. We hebben die nacht zo'n vijftien granaten op stellingen van de Bosnische Serviërs afgevuurd, in een paar minuten tijd. Ja, dat was spannend. Maar ik wilde ook dat er geschoten werd.”
In de 36 uur daarna vuurde de eenheid van Gorter nog eens vijftien granaten af. “Toen was ik er al aan gewend. Het was net alsof ik op de schietbaan in Nederland stond.” Wat hij precies heeft geraakt, weet Gorter niet. Maar het interesseert 'm ook weinig. “Het gaat om het resultaat. We hebben ons doel bereikt.”
Wekenlang hadden z'n handen gejeukt. In Nederland al, nog voor de mariniers van hun basis in Doorn naar Bosnië vertrokken. “Ik wilde wat doen, ik was dat softe gedoe van de VN meer dan zat. Ik ben hierheen gegaan omdat het me niet zinde dat er niks gebeurde. Ik zat me thuis op te vreten.”
De handen jeukten nog harder toen de ongeveer 180 mariniers in de Kroatische havenstad Split strandden. Om onduidelijke redenen wilde de Bosnische regering hen niet toelaten. Ettelijke pogingen deden ze om de grens over te steken. Pas na vijf weken kwam de toestemming.
De meeste mariniers gingen naar Mount Igman. Daar ligt een deel van de Rapid Reaction Force, de snel inzetbare multinationale interventiemacht, bestaande uit Fransen (onder anderen militairen van het befaamde Vreemdelingenlegioen), Britten en Nederlanders.
De eerste weken waren spartaans. Vers voedsel was er niet, de mariniers hielden zich in leven met hun noodrantsoen. En slapen deden ze in de open lucht, of in een bunker, op balen stro. En nog steeds is het comfort ver te zoeken. Sergeant-majoor E. R. van der Woude, bevoorrader van de mortiercompagnie: “Onder de douche ga je met z'n twaalven, twaalf douchekoppen op een rij. Dan geven we twee minuten water en dan gaat de kraan uit, of ze nou nog shampoo in hun haar hebben of niet.” Het water, dat uit een bron komt en drinkbaar is, is schaars. Van der Woude: “Als de Fransen eerder in het kamp zijn, dan hebben wij die dag pech gehad. Die hebben dan het water opgemaakt.”
Het basiskamp van de Nederlanders ligt op vijftienhonderd meter hoogte, vlak boven de boomgrens. De tocht erheen gaat langs kapotgeschoten huizen, vernielde hotels, platgebrande stukken bos, verlaten skipistes, kabelbaantjes die uit het lood zijn geslagen en een lange, hoge skischans. Mount Igman was in 1984 het centrum van de Olympische winterspelen van Sarajevo.
Het kamp van de mariniers is aanvankelijk niet te vinden. Het is mistig, bitter koud, en op deze laatste vrijdag van september valt de eerste sneeuw. De winter is vroeg dit jaar. Het pad naar boven wordt steeds onherbergzamer, de twee DAF-vrachtwagens hebben steeds meer moeite de haarspeldbochten te nemen. Na een klein uur keert het mini-konvooi onverrichterzake terug. Zoek, zoek, waar is de Nederlandse Rapid Reaction Force? Even later blijkt dat we het kamp op de heenweg op slechts een paar meter zijn gepasseerd.
In de grote tent op het kamp brengen mariniers net het middageten binnen. Gekookte aardappels, spruiten, wortelen en kalkoen. De stemming is opperbest, zeggen ze zonder uitzondering. Marinier J. Hoppe: “Het is de laatste weken rustig, er wordt niet meer geschoten. Maar we vervelen ons geen moment. Er moet nog een hoop gebeuren. We moeten het kamp nog verder inrichten.” In de hoek van de tent staat de televisie op RTL 4, te ontvangen via de satelliet.
Een paar kilometer verderop, in de open lucht vlakbij de Nederlandse mortieren, geeft colonel Applegate hoog op van de samenwerking. De Brit is commandant van de eenheid waarvan de de 180 mariniers deel van uitmaken. “Nederlanders verstaan het Engels zo goed, het is heel makkelijk om met ze samen te werken. We are close in our thinking.”
Hij is niet bang dat de komende tijd de Serviërs zullen terugslaan. Volgens de Brit willen ze het niet en kunnen ze het niet. Ze willen het niet omdat ze uit politieke overwegingen nu de voorkeur geven aan het vredesproces. En ze kunnen het niet omdat ze niet de goede wapens en communicatie-apparatuur hebben. De Rapid Reaction Force voelt zich heer en meester op Mount Igman.
Applegate is vooral te spreken over de twee Nederlandse radars die op de berg staan. “Die hebben uitstekend werk geleverd. Zonder die radars zou het hier niet zo rustig zijn geweest als nu.”
Kapitein Van Gorp is commandant van de mortieropsporingsradargroep van de Koninklijke Landmacht waarvan een kleine veertig man op Mount Igman zit. “Het was gigantisch moeilijk om een goede locatie te vinden voor die radars. Op deze berg staan overal bomen. Ook hier hebben we bomen moeten wegkappen.”
Vanaf het moment dat de radars, van Amerikaanse makelij, waren opgesteld, “hadden we een prachtig plaatje”, zegt Van Gorp. “Toen we hier nog niet waren, werden er vijftien tot twintig doelen per dag opgespoord. Dat gebeurde met een oude Engelse radar, waarnemers en een geluidssysteem. Toen we de radars hadden geïnstalleerd, konden we 150 tot tweehonderd doelen per dag opsporen. En dan heb ik het over schietende vuurmonsters, zowel van de Serviërs als van de moslims. Van de opgespoorde doelen hebben we 75 procent met vuur beantwoord. Nee, op ons is niet teruggeschoten. Daar waren we wel bang voor, maar dat is niet gebeurd.”
De bommen en granaten uit de vliegtuigen en vanaf de berg Igman hebben hun effect niet gemist. Kapitein Van Gorp geeft een paar kille cijfers: “Vlak voor die bewuste nacht eind augustus, toen we met de beschietingen begonnen, waren er per dag zo'n 150 tot 200 schotenwisselingen per dag tussen moslims en Serviërs. Na die nacht nog maar tien tot vijftien, en de laatste dagen nog geen vijf per dag. Eigenlijk is dat het hele verhaal. Die radars hier neerzetten, dat is een hele verstandige zet geweest.”
De Bosnische Serviërs hebben hun zware wapens nu teruggetrokken uit de zogeheten exclusion zone, een ring van twintig kilometer rond Sarajevo. De kleinere wapens staan er nog, zoals het veertig millimeter luchtafweergeschut. “Dat is nog een probleem”, zegt overste Cammaert van de snelle interventiemacht. “Die wapens zijn voor ons moeilijk op te sporen. Ze kunnen heel makkelijk in een garage verstopt worden.”
Een deel van het luchtafweergeschut staat waarschijnlijk opgesteld vlakbij het net weer geopende vliegveld van Sarajevo. De Serviërs mogen dan wel beloofd hebben het vliegveld ongemoeid te laten, de piloten van de ongeveer twintig vliegtuigen die er dagelijks landen en opstijgen zijn er toch niet helemaal gerust op. Er hoeft maar één gek te zijn. . .
Daarom nemen de piloten hun toevlucht tot de Sarajevo Dive, een razendsnelle landing waardoor de vliegtuigen als een speer naar beneden gaan. Een verbijsterende ervaring voor de passagiers die, doordat twintig minuten voor de landing de helm op en het scherfwerend vest aan moet, toch al niet de indruk hadden dat ze met een routinevlucht bezig waren.
Het kabinet besloot de mariniers en de radargroep van de landmacht naar Bosnië te sturen op een moment dat er in binnen- en buitenland openlijk werd gespeculeerd over terugtrekking van de VN-troepen. In eigen land deed VVD-leider Frits Bolkestein dat. Maar volgens de ministers Van Mierlo van buitenlandse zaken en Voorhoeve van defensie zou het vertrek uit Bosnië “zeer ernstige humanitaire gevolgen hebben en grote risico's met zich brengen voor de bij een terugtrekkingsoperatie betrokken VN- en Navo-militairen.”
De discussie is inmiddels verstomd, onder andere door het onverwachte succes van het optreden van de Rapid Reaction Force. Sterker: de RRF, zoals de snelle interventiemacht in de wandeling wordt genoemd, zou een belangrijk onderdeel kunnen vormen van de vredesmacht van enkele tienduizenden militairen die de Navo in Bosnië wil installeren, als de vredesbesprekingen in New York succes hebben. De vredesmacht zou de strijdende partijen uit elkaar moeten halen en erop moeten toezien dat het staakt-het-vuren wordt nageleefd.
De interventiemacht bestaat nu uit zo'n twaalfduizend man, van wie er een kleine tweeduizend man op Mount Igman zijn gelegerd. Deze laatste groep maakt zich nu op om de kampementen klaar te maken voor de winter. “Dat zal wel lukken”, zegt overste Cammaert. “De mariniers zijn goeie houthakkers en bouwvakkers.”
Ze zijn al driftig bezig. Aan de rand van het open veld waar de zes Nederlandse mortieren staan opgesteld, hebben ze een blokhut omgebouwd tot slaap- en verblijfplaats. Een marinier heeft net verse thee en koffie gezet. Het is er bloedheet, in een hoek snort een kachel.
Cammaert is nog steeds verbaasd over het succes van de multinationale eenheid. “De Fransen, Britten en Nederlanders zijn in een nutshell bij elkaar gebracht. Ze hebben hier voor rust gezorgd. Het is allemaal verrekte goed gelopen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.