*

 
dossier

Archief

Wat Samen-op-Wegkerken kunnen leren van de KNVB

J.W. VAN EE; G.G. ZWANIKKEN − 22/01/97, 00:00

Hoe belangrijk het is dat de statuten van een organisatie juridisch helder en sluitend zijn, blijkt uit de ondergang van Sport7: in de KNVB-statuten waren de uitzendrechten niet goed geregeld. Ook de toekomstige Verenigde Protestantse Kerk in Nederland moet zorgen voor goede 'statuten' (ordinanties). De voorgestelde rammelen aan alle kanten, vinden de auteurs van dit artikel. De auteurs zijn notaris resp. kandidaat-notaris te Utrecht.

Na de vaststelling in eerste lezing krijgen de classes en de gemeenten van de deelnemende kerken een jaar de tijd om commentaar te geven. Die tijd kan goed gebruikt worden om een principiële wijziging in de stukken aan te brengen. Dat is nodig. De ontwerpen zijn namelijk van een bedenkelijk juridisch gehalte, niet volledig, op vele punten onduidelijk en zij zullen aanleiding geven tot problemen in de kerk. Die problemen zullen zich met name voordoen op het plaatselijke vlak.

Omwille van de ruimte treden wij hier niet te veel in details, maar bespreken we de ontwerpen aan de hand van drie invalshoeken, namelijk de standaardeisen voor de statuten van rechtspersonen, de aard van het kerkelijk recht en de functie van de taal daarin.

De eerste vraag die rijst is: wat is een kerk? Het antwoord voor de gelovige zal een ander zijn dan voor de jurist. Er is een theologisch en een juridisch begrip. Het theologische begrip wordt bepaald door geloofsopvattingen, die zijn verwoord in de belijdenisgeschriften. In de kerkorde en de ordinanties wordt de juridische en organisatorische structuur van de kerk vastgelegd.

De structuur is gebaseerd op religieuze en theologische inzichten en dat heeft in het protestantisme tot de denkfout geleid dat de structuur en daarmee het statuut zelf ook theologisch van aard zijn. Met deze onjuiste gedachtegang is in het protestantisme argwaan, zelfs aversie tegen het kerkelijk recht als recht onstaan en zo kon Van Ruler zeggen dat calvinisten voor het kerkelijk recht graag hun nuffige neus ophalen.

De juiste gedachtegang is dat de kerk een rechtspersoon is die statuten nodig heeft. Die statuten en het kerkelijk recht zijn wezenlijk juridisch van aard. De achterliggende (religieuze en theologische) inzichten veranderen dat niet. We geven een voorbeeld: Het statuut kan bepalen dat het lidmaatschap ontstaat door doop of door belijdenis. De keuze zal theologisch gelegitimeerd zijn. Maar als de keuze gemaakt is gaat het om een juridische bepaling. Ofwel, voor vorm en de toepassing is het van geen belang of een bepaling religieuze wortels heeft.

De Verenigde Protestantse Kerk in Nederland is straks niet alleen een geloofsgemeenschap, maar ook een complex vormgegeven rechtspersoon, waar in alle dagelijkse problemen door het statuut moeten worden voorzien. Die problemen zijn er volop. We noemen alleen al de verhoudingen tussen (groepen van) leden met de kerkenraad en de verschillende typen gemeenten en verder de problemen met groepen die wel en die niet in de fusie meewillen. Dat gaat alleen goed als het statuut aan hoge juridische maatstaven voldoet.

Wie beslist?

In het Nederlands burgerlijk recht heeft een kerkgenootschap het recht om zijn structuur geheel naar eigen inzicht in te richten. Een kerk is geen stichting of een vereniging, al kan zij daar wel op lijken. Het statuut moet echter wel binnen het Nederlandse rechtssysteem blijven. De kerk functioneert binnen dat systeem en het kerkelijk recht behoort dan ook tot het Nederlandse privaatrecht. Alleen als het statuut in heldere juridische taal is gesteld kan het ook daadwerkelijk functioneren.

In de kerk gaat het, zoals in elke organisatie, om één centrale vraag: wie beslist (in laatste instantie) over wat. Het kerkelijk statuut moet dus duidelijk zijn over onder meer de volgende vragen: Wie zijn in de kerk rechtspersoon, wat zijn de onderlinge verhoudingen tussen de leden en de organen, wat zijn de organen, hoe worden zij samengesteld en wat zijn hun precieze functies en wat zijn de 'checks and balances'.

In de ontwerpen van de kerkorde en de ordinanties wordt aan deze eisen niet steeds voldaan. Het ontwerp is niet volledig en veel artikelen roepen vragen op. Bovendien is de tekst op cruciale punten soms gesteld in theologisch aandoende taal. Zo is de kerkorde geheel een religieus/theologische tekst. Dit zou geen probleem zijn indien de ordinanties dit volledig opvingen, maar dat is niet het geval.

Een goed voorbeeld is de omschrijving van de plaatselijke gemeente. Het geamendeerde ontwerp luidt in ordinantie 2.2: 'Een gemeente is de gemeenschap die, geroepen tot eenheid, getuigenis en dienst, samenkomt rondom Woord en sacramenten'. Dit is ongetwijfeld theologisch prachtig verwoord, maar wat betekent het juridisch? Het commentaar zegt dat de werkgroep en de commissie (blijkbaar vooral theologen) niet wilden inzetten op het punt van de rechtspersoonlijkheid omdat die een afgeleide is. Een afgeleide waarvan? De stukken bewaren een diep stilzwijgen.

In het burgerlijk recht is rechtspersoonlijkheid een centraal begrip en in een goed kerkelijk statuut moet dat ook zo zijn. Dergelijk theologisch taalgebruik verzwakt de juridische positie van de kerk. In de theologie gaat het, kort gezegd, om vermeerdering van de kennis van God; in het recht om het nemen van een beslissing. Als de disciplines worden verward, wordt ofwel de betekenis van religieuze waarheid aan een juridische tekst toegekend, en klagen de juristen, ofwel wordt de werkwijze van het recht tot religieuze waarheid verheven, en klagen de theologen. In beide gevallen terecht.

De ordinanties moeten dan ook voorkomen dat gewone rechtsvragen, en vragen van juridische organisaties zijn áltijd rechtsvragen, kunnen uitgroeien tot theologische kwesties, met alle gevolgen van dien. Dat kan alleen door juridische taal te gebruiken. In de Gereformeerde Kerken herinnert men zich nog duidelijk de kwestie 'artikel 31', die leidde tot de afscheiding rond 1944. Deze was te wijten aan een theologische interpretatie van artikel 31 van de kerkorde.

Bovendien is de samenleving veranderd. Het kerklid denkt in termen van rechten en hij laat die houding niet achter bij de kerkdeur. Een voorbeeld dat misschien niet voor de hand lijkt te liggen: De oorzaak van het debâcle van de zender Sport7 was dat de statuten van de KNVB niet voorzagen in een goede regeling van de uitzendrechten. De gang naar de rechter door maar één slimmerd was voldoende voor de ondergang! De rechter in Nederland behandelt de kerk als iedere andere organisatie. Het kerkelijk statuut moet daarom voldoen aan de hoogste eisen van juridische techniek.

Als voorbeelden waar het in het statuut van de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland niet goed geregeld is, of zelfs regeling geheel ontbreekt, noemen wij het toezicht, de vertegenwoordiging van de gemeente, de verhoudingen tussen de verschillende soorten gemeenten, het uiterst belangrijke overgangsrecht, bepalingen over fusie en splitsing en een duidelijke regeling op gemeentelijk niveau voor de verschillende samenwerkende groepen.

Stel dat van een hervormde gemeente een deel wil fuseren met de gereformeerde en lutherse gemeenten en een deel wil een eigen hervormde gemeente blijven. Dit moet kunnen volgens de ordinanties en de beslissing van het Generaal college van de Nederlandse Hervormde Kerk over de Marewijkgemeente in Leiden. Wie krijgt dan wat? En hoe gaat het dan met de diaconale vermogens? Alweer, de teksten zwijgen. Als hierin niet wordt voorzien zullen problemen rijzen.

Dan zijn er nog de volgende vragen: Hoe moeten de diaconieën fuseren? Hoe verhoudt zich de Wet persoonsregistratie met de kerkelijke administratie? Strookt de regeling voor bezwaren en geschillen wel met het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering? Dit zijn slechts enkele voorbeelden en in elk afzonderlijk geval loopt de kerk een grote kans dat, als de rechter een oordeel moet vellen, als gevolg van een gebrekkig statuut dit voor de kerk wellicht verrassende gevolgen kan hebben.

Onze conclusie is dat de synode er goed aan doet om het ontwerp aan een kritisch onderzoek te onderwerpen in het besef dat de kerk met de thans ontworpen teksten de boot mist. In ieder geval zouden de ordinanties 2, 4 en 11 moeten worden herschreven en moeten worden aangevuld met regelingen voor de juridische en financiële gevolgen van de fusie. Als de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland haar naam eer aan wil doen, dient er een statuut te komen dat aan hoge eisen van juridische techniek voldoet. Daaraan mankeert het nu.

mailIcon print |