De bloedbank in Israël accepteerde de donaties van Ethiopische joden, maar gooide het bloed vervolgens weg uit angst voor aidsbesmetting. Vooroordelen, racisme en discriminatie - de anders zo rustige Ethiopische joden vinden dat de maat meer dan vol is. Zij gaan de straat op en de Israëliërs kijken stomverbaasd toe.
“De regelrechte misleiding om onze bloeddonaties te accepteren en ze vervolgens weg te gooien, was niet de enige reden voor de rellen voor het kantoor van de premier, afgelopen zondag”, heeft de activist Addisu Messele de afgelopen week herhaaldelijk gezegd. “Het was de laatste druppel, de ergste van een lange reeks vernederingen die we stilzwijgend over ons heen lieten komen. De Israëliërs willen het misschien niet inzien, maar dit land zit vol racisme en discriminatie en als je daar nu niet de vinger oplegt, dan is de woedeuitbarsting van de afgelopen week alleen maar een voorbode van wat er nog zal komen.”
De Israëliërs zijn zich inderdaad niet bewust geweest van de onrust die zich opbouwde onder de 56 000 Ethiopische joden in het land, een bevolkingsgroep die in de media doorgaans wordt geportretteerd als buitengewoon rustig en zelfbeheerst. Maar sinds zondag worstelen veel Israëliërs met de vraag waar zij de fout in zijn gegaan. Het is duidelijk dat een van de redenen voor hun blinde vlek de opperste tevredenheid was over de acties (Operatie Mozes in 1980 en de 36 uur durende luchtbrug uit 1991 die bekend werd als Operatie Salomon) om leden van deze gemeenschap vanuit de verlaten hooglanden van Ethiopië te halen - vooral omdat er niet eens eenstemmigheid was (en die is er in orthodox joodse kringen nog altijd niet) over de vraag of deze Falasja's wel echt joden waren. Tot op de dag van vandaag, bijvoorbeeld, kunnen de leden van de Ethiopische gemeenschap alleen getrouwd worden door tien speciaal aangewezen rabbijnen in Israël, waar een religieuze trouwceremonie de enige optie is en waardoor veel Ethiopische paren zich al gedwongen zagen hun huwelijk in de illegaliteit te doen voltrekken.
Een andere reden voor het feit dat Israël door het geweld van afgelopen zondag werd overvallen - en voor de verslagenheid sindsdien - is dat het publiek de indruk had dat de integratie van de Ethiopiërs een groot succes was. Juist op de dag van de demonstraties liet het ministerie voor Immigratie en Integratie cijfers bekendmaken die een enorme vooruitgang onderstreepten op het gebied van werkgelegenheid, scholing en huisvesting en die aangaven dat zo er al sprake zou zijn van discriminatie van de Ethiopiërs, dat alleen zou zijn in de vorm van 'voorkeursbehandeling, positieve actie'. Hoewel de werkgelegenheid voor vrouwen gering blijft, scoren mannelijke Ethiopische immigranten in de leeftijd tot 35 jaar als het gaat om werkgelegenheid even hoog als oudere Israëliërs. Tezelfdertijd had, tegen het eind van vorig jaar, 85 procent van de 3 700 Ethiopische families de caravan-kampementen verruild voor een appartement of een woning in de sociale sector, waarbij zij gebruik maakten van door de overheid verleende hypotheken van tussen de honderdduizend en 122 duizend dollar (waarvan 85 procent als schenking, zodat zij veelal op een maandlast van slechts 56 dollar uitkomen). En dit alles werd tot stand gebracht in een tijd waarin Israël te kampen had met een toevloed van vijfhonderdduizend immigranten vanuit de voormalige Sovjet-Unie, die eveneens woningen en banen nodig hadden. Uiteraard ging dit proces gepaard met problemen, zelfs met crises.
Maar als de meerderheid van het volk er volkomen onwetend van is gebleven, dan is dat ongetwijfeld omdat de meeste Israëliërs in de grote steden nu eenmaal amper Ethiopiërs tegen het lijf lopen. Volgens gegevens van de overheid zijn de Ethiopische immigranten verdeeld over 65 plaatsen in het gehele land. Maar de premieflats die zij met hun 100 000 tot 122 000 dollar kunnen betalen, zijn vooral te vinden in Israëls 'ontwikkelingssteden': kleine plaatsjes, voornamelijk in de zuidelijke helft van het land.
“De regering schijnt niets te hebben geleerd in de afgelopen veertig jaar”, zegt dr. Rami Rahamim, hoofd onderwijszaken in het lokale bestuur van Kirjat Malachi, een stad met 21 000 inwoners in de noordelijke punt van de Negev-woestijn. “Want zij begaat dezelfde fout die in de jaren vijftig werd gemaakt: het doorsluizen van nieuwe immigranten naar gebieden waar zij tussen een toch al zwakke bevolking terecht komen.”
Kirjat Malachi, een mengeling van grauwe appartementen en eenvoudige woningen, is gewend aan immigranten als straatbeeld. De gemeentelijke woordvoerder, Arjee Pikel, schat dat de stad, sinds die in de beginjaren vijftig werd gesticht, ongeveer honderdduizend nieuwkomers (uit Oost-Europa, Noord-Afrika, Irak en Jemen) binnen de poorten kreeg en in de laatste vijf jaar 384 Ethiopische families (bijna twintig procent van de bevolking) opnam. En in tegenstelling tot wat gebruikelijk is in ontwikkelingssteden, die altijd rondom één industrie werden gebouwd, kozen de bestuurders van Kirjat Malachi ervoor, een reeks van kleine en grotere bedrijven aan te trekken om de blijvers aan werk te helpen.
Niettemin was er sprake van een vlaagje paniek toen de stroom van Ethiopiërs op gang kwam. “Huisvesting was nog niet eens zo'n probleem, want oudere inwoners waren blij dat zij hun flat konden verkopen om in nieuwe en vooral grotere te trekken”, zegt Pikel. Gevolg is dat de Ethiopiërs in Kirjat Malachi toch vooral geconcentreerd zijn in de oudere delen van de stad.
Maar al met al is de relatief snelle verhuizing vanuit de caravankampen naar een permanente bewoning alom met lof overladen. Een rapport dat vorig jaar november is gepresenteerd door het Brookdale Institute of the American Jewish Joint Distribution Committee toonde aan dat 86 procent van alle Ethiopische immigranten 'tevreden' is met hun nieuwe woonomgeving en liefst 88 procent is tevreden met het nieuwe appartement. Maar waarnemers die wat dichter op de dagelijke realiteit zitten, blijven sceptisch. “Natuurlijk zeggen ze dat ze tevreden zijn met hun appartementen”, zegt Rahamim. “Als jij net vanuit een bekrompen tweekamer-caravan zelfs naar een klein appartement verhuist, dan zou je ook blij zijn. Maar op hetzelfde moment, toen zij vanuit hun geïsoleerde caravankampementen vertrokken, konden zij voor de eerste keer zien hoe Israëliërs wonen en leven. En daardoor zitten veel jongeren met het gevoel van hun gelijkheid te zijn beroofd; juist die verbolgenheid is wat je zag opborrelen tijdens de demonstratie van zondag.”
De jonge generatie een snelle toegang tot de Israëlische maatschappij te verschaffen, dat is de grootste uitdaging geweest voor de autoriteiten. “Toen de Ethiopiërs voor het eerst hier kwamen, dachten we dat ons schoolsysteem in zou storten”, zegt Rahamim over de vier basisscholen in Kirjat Malachi (twee religieus en twee seculier). “We moesten vijfhonderd kinderen opnemen en de Ethiopiërs wilden allemaal hun kinderen naar de religieuze scholen sturen. We konden hen niet op andere gedachten brengen.”
De angst van onderwijzers zoals Rahamim - en een veelgehoorde klacht van de Ethiopische ouders zelf - is dat een te hoge concentratie van Ethiopische kinderen in buurtscholen de integratie van de kinderen zou belemmeren en hun onderwijsniveau zou beperken. Maar vandaag de dag, verklaart het hoofd van de basisscholen, is die vrees weggenomen. “Ethiopische kinderen zijn slim, ontzettend nieuwsgierig en getalenteerd, vooral in de expressieve vakken”, legt hij uit. Hij benadrukt dat zijn school speciale activiteiten heeft ontwikkeld, bijvoorbeeld op het gebied van de dans, die de kinderen helpt in de gemeenschap te integreren. “Ik ben wel de laatste die de problemen zal onderschatten. Maar op deze school, waar Ethiopische kinderen meer dan 25 procent van de leerlingen uitmaken, is integratie echt geen probleem. Kijk maar om je heen”, zegt hij terwijl we tijdens de pauze over het schoolplein lopen, het beste moment om te kijken of de leerlingen elkaar vanwege hun kleur discrimineren, “want je kunt de kinderen wel naast elkaar in de klas zetten, maar niet dwingen met elkaar te spelen tijdens de pauzes.” En de kinderen op het plein van Dahan - een luidruchtige kluwen van jacks, tassen, en springtouw - lijken totaal kleurenblind. Het onderzoek van Brookdale laat ook zien dat 97 procent van de kinderen van Ethiopische immigranten met niet-Ethiopische kinderen spelen.
Niettemin blijft kritiek bestaan op het vermeende lage onderwijsniveau van de Ethiopische kinderen, wat vooral een schrille vorm aanneemt als hun 'culturele achterstand' wordt uitgelegd als een aangeboren gebrek aan intelligentie. “Veel kinderen belanden ten onrechte in klassen voor moeilijk lerenden”, zegt Malka Sjabtai, doctoraal student etnografie aan de Ben Goerion-universiteit, “omdat de manier waarop psychologen kinderen testen nu eenmaal cultureel bevooroordeeld is.”
Met name aan het voortgezet onderwijs mankeert nogal wat, aangezien de meeste Ethiopische leerlingen les krijgen in speciale kostscholen van het Joods Agentschap die vooral als vangnet dienen voor kinderen uit 'moeilijke gezinnen'. Vrijwel al hun Israëlische medeleerlingen komen dan ook uit gebroken gezinnen. Afgezien van deze weinig bevorderlijke sociale omgeving zijn er ook vraagtekens te plaatsen bij de mogelijkheden die de vijfduizend Ethiopische studenten hier krijgen, meent rabbijn Micha Odenheimer, directeur van het Amerikaanse Verbond voor Ethiopische Joden. Ze worden bijna allemaal de beroepsopleidingen ingesluisd voor monteur, elektriciën, onderwijzeres of verpleegster. “Ging vroeger 90 procent van de Ethiopische leerlingen naar de scholen van het Joods Agentschap, de afgelopen twee jaar is dat gelukkig gedaald, tot nog maar de helft”, zegt Odenheimer. “Maar helaas wordt er weinig werk van gemaakt om de resterende helft naar het normale hoger onderwijs te krijgen.”
Het resultaat van deze onderwijspolitiek is dat in 1995 in totaal 411 Ethiopische studenten deelnamen aan pre-universitaire opleidingen en nog eens 480 aan universiteiten studeerden. Als deze programma's voor hogere opleidingen slagen, dan is dat bemoedigend. Maar de jongeren die niet slagen, blijven met een gevoel van verbittering achter.
Sjlomo Lako, een 28-jarige immigrant die in Ethiopië de middelbare school afmaakte, nam deel aan een speciaal programma dat hem moest voorbereiden op de universiteit in Jeruzalem. Hij moest deze opleiding opgeven, door gebrek aan geld. Nu voelt hij zich buitenspel staan. Hij werkt als beveiligingsbeambte in een ziekenhuis en woont nog steeds in het troosteloze Hoelda-caravankamp. Het enige dat dit verlaten kamp, praktisch zonder groen, nog ietwat opfleurt, is Sjlomo's knalrode Fiat Uno, die hij heeft aangeschaft om op tijd op zijn werk te zijn. Dat is een bijzonder pijnlijk punt voor Sjlomo: “In het ziekenhuis worden wij Ethiopiërs niet als gelijken behandeld, maar als slaven”, gromt hij. Elke keer als hij te laat kwam, legt hij uit, moest hij zich bij zijn chef komen verantwoorden; eenzelfde vergrijp bij zijn Israëlische collega's werd geaccepteerd zonder dat er een woord aan vuil werd gemaakt.
Het deprimerende kamp is de laatste tijd nog grauwer geworden, maar dat is een goed teken: meer dan tweederde van de oorspronkelijke 480 gezinnen (allen Ethiopiërs) hebben een permanente behuizing gekocht en zijn vertrokken; ruim dertig gezinnen staan op het punt hetzelfde te doen. Maar Sjlomo's kansen zijn gering. “Als alleenstaande heb ik recht op een hypotheek van maar veertigduizend dollar en daar koop ik niets voor. Als ik getrouwd zou zijn, zou ik honderdduizend dollar krijgen. Maar hoe zou ik een vrouw en kinderen moeten onderhouden van een salaris van tweeduizend sjekel (duizend gulden) per maand?”, vraagt hij. “Trouwens, ik wil nog niet trouwen. Ik wil eerst studeren en wat bereiken.”
Sjlomo weet van zijn collega's dat niet alleen Ethiopiërs dit soort problemen hebben. Elke golf immigranten in Israël - Marokkanen, Jemenieten, zelfs Oosteuropeanen - stuitte op dezelfde moeilijkheden. Toch vindt hij dat de vergelijking niet opgaat. “Wij krijgen van rabbijnen te horen dat wij geen joden zijn. Wij doneren ons bloed en zij mieteren het weg. De enige reden dat het niet eerder tot gewelddadigheden is gekomen, is dat Ethiopiërs hun gevoelens opkroppen. Dat is onderdeel van ons karakter, van onze trots”, legt hij uit. “Maar de politiek van Israël deugt niet en ik weet zeker dat er wat moet veranderen.”
Dergelijke voorspellingen roepen de vraag op of de jonge, militante leden van de Ethiopische gemeenschap die de demonstraties van zondag hebben georganiseerd, niet de geest van het geweld uit de fles hebben laten ontsnappen. “Dat geloof ik niet”, zegt Sjlomo Moella, de 28-jarige leider van de Unie van Ethiopische organisaties. “Maar tegelijkertijd moet ik je zeggen dat we het zat zijn om te horen wat een geweldig, rustig volk wij zijn. Ze kunnen ons niet negeren. Ze kunnen ons niet koeioneren. En nu we het Israëlische publiek de waarheid onder de neus hebben gewreven over hun racisme, zullen we ons niet in stilte terugtrekken. Maar nu moeten we geduldig zijn en de speciaal door de regering in het leven geroepen commissie de tijd geven om gegevens te verzamelen en haar rapport te publiceren. Tenslotte hebben wij, ondanks alle woede en teleurstelling, niet uit het oog verloren dat het ons doel is om deel uit te maken van de Israëlische maatschappij, en niet om er oorlog tegen te voeren.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.