In de Wereldvluchtelingenweek, die morgen begint, vraag de Stichting Vluchteling aandacht voor de miljoen 'vergeten' vluchtelingen, die niet of nauwelijks in het nieuws komen. Zoals de bijna 500.000 Burmezen, die uit hun huizen zijn verdreven. Correspondente Minka Nijhuis bericht uit het grensgebied met Thailand.
Kawthoolei (Bloemenland), zoals de Karen hun thuisland noemen, is een vage herinnering geworden voor de zeventienjarige Saw Htoe. Maar de reden voor zijn vlucht naar Thailand staat hem nog helder voor de geest. Als jongetje van tien zag hij hoe zijn dorp in het oosten van Burma werd aangevallen door het Burmese leger. Hij vluchtte met zijn ouders de grens over en kwam net als duizenden andere Karen, een van de grootste etnische minderheden in Burma, in een kamp in Thailand terecht.
In het vroege ochtendlicht heeft Huay Kalok iets van een plattelands-idylle. Achter de hutten van bamboe en bladeren strekken zich felgroene rijstveldjes uit. Door de modder scharrelen kippen en varkens. Kinderen in fleurige t-shirts zijn verdiept in een knikkerspel met glanzend bruine pitten. Hier en daar klinkt gitaarmuziek. Jongeren spelen volleybal.
De verhalen van het groepje Karen spreken de rustieke taferelen tegen. Het Burmese leger en een splintergroep die zich vier jaar geleden van de Karen-verzetsbeweging afscheidde, bivakkeren slechts een paar kilometer verderop. Vooral in de droge tijd is het kamp een potentieel doelwit omdat de militaire activiteiten toenemen zodra de bodem opdroogt. ,,Nu de regentijd is aangebroken durven we iets rustiger te gaan slapen, maar echt veilig voelen we ons nooit'', zegt Saw Htoe.
De afgelopen twee jaar werd het kamp twee keer onder vuur genomen. Bij de eerste aanval vloog Saw Htoe's hut in brand en raakte de familie alles kwijt. Vorig jaar werd Saw Htoe's moeder in haar arm getroffen door een granaatscherf. Rond het kamp zitten Thaise militairen op hun posten, maar van actieve bescherming van de vluchtelingen is geen sprake.
Binnenkort gaan de kampbewoners verhuizen naar een veiliger plek verder van de grens, maar erg groot is het animo om te verkassen ook weer niet. De lokale bevolking heeft vijandig gereageerd op de komst van de Karen. Ook vrezen de vluchtelingen op de geïsoleerde plek afgesneden te raken van contact met Burma en van de schaarse mogelijkheden om wat handel te drijven en te werken rond de Thaise grensplaats Mae Sot.
Een beetje verlegen vertellen de jongeren over hun bestaan. Hun dagelijks dieet is eenvoudig, maar ze lijden geen honger, zeggen ze. Er is rijst van hulporganisaties en op kleine schaal verbouwen de families rijst en groente. Er is een eenvoudige kliniek met Karen-verpleegsters en buitenlandse artsen komen regelmatig op controle. Huay Kalok ligt vlakbij de verharde weg en is ook in de regentijd bereikbaar voor voedselvoorziening en medische zorg. Veel van de andere kampen langs de Thais-Burmese grens bevinden zich in meer afgelegen gebieden en raken in de regentijd nagenoeg van de buitenwereld afgesloten.
Over de vraag wat hun grootste zorg is hoeven de jongeren niet lang na te denken. De toekomst, zeggen ze zonder aarzelen. Hun dromen reiken ver over de grenzen van het schrale bestaan in het kamp: sommigen zouden leraar willen worden, anderen verlangen naar computertrainingen. Maar de realiteit damt die toekomstperspectieven in. In het kamp gaat het onderwijs niet verder dan de middelbare school. De beschikbare banen zijn beperkt tot het werken in de rijstvelden van Thaise boeren voor een loon dat tussen de veertig en tachtig baht (twee tot vier gulden) per dag ligt. Een minderheid van de kampbewoners werkt in de fabrieken, maar daar lopen de vluchtelingen het risico gearresteerd en gedeporteerd te worden. Vooral sinds in 1997 de economische crisis in Thailand toesloeg, neemt de druk om illegale werkers terug te sturen naar Burma toe.
De jongeren in het kamp zijn de derde generatie die de prijs betaalt voor het conflict tussen de Karen en de Burmese autoriteiten. Sinds de onafhankelijkheid van Burma in 1948 zijn de Karen net als de meeste andere etnische minderheden - samen eenderde van de 48 miljoen inwoners van Burma - met het centrale gezag verwikkeld in een strijd om meer zelfbeschikking en gelijke rechten. In 1984 joegen de militaire offensieven voor het eerst grote aantallen vluchtelingen grens over. De hulporganisatie Burmese Border Consortium heeft sindsdien zeventien kampen ingericht. Via de Stichting Vluchteling ontvangt het consortium ook Nederlandse steun voor hulp aan de naar schatting 120.000 vluchtelingen die aan de Thaise kant van de grens verblijven.
Thailand zag de stroom met lede ogen binnenkomen. De Thaise regering wilde niet dat aan de Westelijke grens permanente kampen zouden ontstaan zoals in oostelijk Thailand waar jarenlang tienduizenden Cambodjanen permanent verbleven. Daarom stond het slechts een minimale bemoeienis toe van de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties. En verder dan de aanduiding displaced persons brachten de gevluchte etnische minderheden het niet. Regelmatig werden grote groepen vluchtelingen tegen hun zin teruggestuurd naar Burma.
Pas een jaar geleden gaf de Thaise regering de UNHCR het groene licht om te werken in het grensge bied. De UNHCR heeft de taak de gevluchte Burmezen officieel te registreren en toe te zien op hun veiligheid zodat zij niet gedeporteerd worden zoals in het verleden vaak gebeurde. Een aantal keren slaagde de UNHCR erin de gedwongen terugkeer te voorkomen, maar vooral in afgelegen gebieden vinden nog altijd deportaties plaats en lang niet alle Burmezen die naar Thailand willen vluchten worden toegelaten.
Ondanks de onveilige situatie en het gebrek aan toekomstperspectief hebben de kampbewoners niet automatisch recht op vestiging in een ander land. Bordercases heten zij in de archieven van de UNHCR. Alleen wie kan aantonen in persoonlijk gevaar te verkeren maakt kans in de langdurige papiermolen ter voorbereiding op een nieuw bestaan terecht te komen. Een terugkeer naar hun dorpen in Burma is geen optie, zeggen de jongens. Er komen voortdurend nieuwe vluchtelingen naar het kamp met verhalen over armoede en onderdrukking.
,,De Burmese regering wil ons niet. En in Thailand zijn we ook niet welkom'', zegt Saw Htoe. Hij is even stil. ,,Het voelt alsof wij geen recht hebben op een bestaan.'' De ongeveer 9000 bewoners van Huay Kalok zijn maar een topje van de ijsberg. Langs de Thais-Burmese grens verblijven zo'n 110.000 gevluchte Karen, Mon, Shan en Karenni, die voor hun bestaan afhankelijk zijn van hulpverleningsorganisaties.
Op Thais grondgebied bevinden zich nog meer Burmezen. Enkele honderdduizenden werken als illegale arbeidskrachten in fabrieken, de bouw en garnalenkwekerijen voor een loon dat ver onder het Thaise minimum ligt. Naar schatting tienduizenden Burmese vrouwen zitten in Thaise bordelen. ,,Velen van hen zou je eigenlijk ook als vluchteling kunnen beschouwen, want zij verlaten hun land niet alleen vanwege de economische misère, maar ook vanwege de onderdrukking'', zegt een buitenlandse hulpverlener die al jarenlang in het gebied werkt. Alles bij elkaar is het aantal Burmezen in Thailand hoger dan ooit.
Maar de minst zichtbare tragedie vormen de massale aantallen ontheemden in Burma zelf. Zij blijven verborgen voor de buitenwereld omdat zij zich bevinden in gebieden die nagenoeg niet toegankelijk zijn voor hulpverleners of waarnemers. Alleen al in de noordoostelijke Shan-staat werden volgens mensenrechtenorganisaties waaronder Amnesty International sinds 1996 300.000 mensen door het Burmese leger uit hun huizen verdreven. Ook in de Karenni-staat verlieten sinds 1996 tussen de 20.000 en 30.000 dorpelingen op bevel van het leger hun huizen. In de Karen-staat kregen honderden dorpen in de afgelopen jaren te horen dat zij moesten verhuizen.
Ook in westelijk Burma vinden deze gedwongen verhuizingen plaats, maar niemand weet precies op welke schaal, omdat uit dit zeer geïsoleerde gebied nog minder verhalen naar buiten komen. De dorpsbewoners worden zonder enige compensatie gedwongen te verhuizen naar stukken land zonder voorzieningen waar nauwelijks te overleven valt. Terug naar hun landbouwgronden mogen ze niet en de nieuwe verblijfplaatsen doen dienst als recruteringscentra voor dwangarbeid.
Duizenden mensen vluchten weg van deze lokaties of zwerven door de jungle om aan de gedwongen verhuizing te ontkomen. De afgelopen maanden arriveerden bijvoorbeeld honderden Karenni aan de grens met Thailand. Velen van hen hadden tweeënhalf jaar rondgedoold, in de hoop terug te kunnen naar hun landbouwgrond of omdat ze de hachelijke tocht door de mijnenvelden niet aandurfden. Pas toen ze geen kans zagen nog langer te overleven in de jungle, staken ze de grens over.
Pya ley pya heet deze strategie om burgers te verplaatsen naar gebieden die onder controle staan van het leger en daarmee de guerilla's af te snijden van steun van de bevolking. Pya ley pya werd ook in het verleden vaak toegepast. Er is geen vluchteling die de gevreesde term niet kent.
Hulpverleners in Thailand zeggen dat de gedwongen verhuizingen alleen maar toenemen ook al zijn de grote militaire offensieven verleden tijd. Veel etnische minderheden sloten staakt-het-vuren akkoorden met de regering in Rangoon. De overgebleven rebellenlegers hun basis kwijtgeraakt en controleren nagenoeg geen gebied meer.
De verhalen van de Burmese ontheemden brengen Amnesty-rapporten tot leven. In een van de geïmproviseerde hutten in de jungle waar ongeveer vijfduizend Karen verblijven, zit de veertigjarige Po Leh Moe met een meisje van een jaar of twee op schoot. Ze heeft negen kinderen, de jongste van vier maanden ligt in een hangmatje achterin de hut. Buiten luisteren drie oudere kinderen beduusd mee als zij vertelt. Toen de familie hoorde dat de Burmese troepen in aantocht waren, sloeg ze op de vlucht. ,,Ik had een kind in mijn rug en een kind in mijn buik. Zo rende ik de jungle in.''
De paniek dreef haar echtgenoot in de armen van het Burmese leger en hij werd meegenomen door de troepen om als munitiedrager dienst te doen. Na tien dagen kon hij zich bij zijn familie voegen. ,,Hij was uitgehongerd en had diepe striemen op zijn rug door de enorme last'', zegt ze. Het is niet voor het dat de familie heeft moeten vluchten. Al twee keer eerder verlieten ze hun huizen, maar dan hielden ze zich een paar dagen schuil in de heuvels en keerden daarna terug. ,,Nu kan dat niet meer want ons huis is in brand gestoken.''
Eind juni besloot haar man met drie anderen terug te gaan naar het dorp om fruit uit hun boomgaarden te oogsten. Het werd een fatale tocht. Het Burmese leger betrapte het viertal en de man van Po Leh Moe werd al vluchtende neergeschoten. Burmese troepen beschouwen de ontruimde gebieden als vuurzones; zij schieten op alles wat beweegt. De ogen van Poh Leh Moe schieten vol tranen. ,,Ik ben mijn man kwijt en ik ben mijn bezit kwijt. Dat is het lot van een weduwe.''
Kyaw Ne kwam een paar weken geleden aan. Ook zijn familie is inmiddels flink gehavend. De dochter stapte vorig jaar op een mijn en verloor een been. Kort daarop beviel ze van een baby die een dag later overleed. Iedereen schiet in de lach bij de vraag hoe vaak Kyaw Ne dwangarbeid heeft moeten verrichten. Volgens de ILO, de arbeidsorganisatie van de VN, fungeert de burgerbevolking als een ongelimiteerde voorraadschuur van onbetaalde arbeidskrachten.
De 62-jarige dokter Pow Hto Da die de ontheemden behandelt is zelf vluchteling. Als jonge arts werkte hij meer dan dertig jaar geleden in een stad in de noordoostelijke Shan-staat en had weinig te maken met de conflicten tussen de etnische minderheden en het centrale gezag. De Karen ontvoerden hem. Hij werkte tegen zijn wil een jaar in een ziekenhuisje in de jungle tot hij kans zag te ontsnappen. Via Thailand keerde hij terug naar Rangoon om daar in een privé-kliniek te werken.
,,Ik had weinig affiniteit met de strijd van de Karen'', zegt Pow Hto Da. Pas toen in 1988 grote demonstraties het land op zijn kop zetten werd hij wakker geschud. ,,Toen ik de gewonden behandelde die door het leger neergeschoten waren, drong het tot me door hoe wreed de autoriteiten waren'',zegt hij. Hij besloot zich aan te sluiten bij het verzet dat vanuit de grensgebieden opereerde. Nu begeleidt hij mobiele teams die medische hulp verlenen in het grensgebied en behandelt hij zieke vluchtelingen. Op zijn vingers telt hij de medische problemen af: malaria, aids, infectieziekten, een hoge kindersterfte.
Een steeds groter probleem vormen de landmijnen. Niet alleen het Burmese leger en de Karen-splintergroep Democratic Karen Buddhist Association (DKBA), maar ook de guerilla's van de Karen National Union (KNU) maken er in toenemende mate gebruik van, nu al hun vaste bases ingenomen zijn en zij niet langer gebied controleren. Bezorgd schudt de arts zijn hoofd.
Net als veel andere vluchtelingen en hulpverleners is Pow Hto Da bang dat de Burmezen naar hun land teruggestuurd zullen worden, omdat de gevechten in hun thuisland verminderd zijn. ,,Maar ook dan zijn wij niet veilig. De dwangarbeid, de gedwongen verhuizingen, en andere mensenrechtenschendingen zullen doorgaan zolang de junta aan de macht is.''
De gang van zaken in gebieden waar etnische minderheden staakt-het-vuren akkoorden sloten met de Burmese junta geeft hem gelijk. Mensenrechtenschendingen zijn in die gebieden nog altijd aan de orde van de dag en telkens slaan bewoners op de vlucht. Voorlopig lijkt een politieke oplossing in Burma echter ver weg. De militairen, die sinds 1962 aan de macht zijn, weigeren een dialoog aan te gaan met de democratische oppositie van Aung San Suu Kyi die in 1990 met grote meerderheid de verkiezingen won.
Van deze oppositiepartij, de Nationale Liga voor Democratie, zitten honderden leden, velen van hen gekozen parlementariërs, gevangen. Ook veel jonge activisten en studenten zijn achter de tralies gestopt. Sommige jongeren hebben gevangenisstraffen van vijftig jaar en meer gekregen vanwege hun politieke activiteiten.
De meerderheid van de Burmezen heeft zwaar te lijden van de economische crisis en houdt zich verre van de politiek. Toch is de stilte in Burma maar schijn, zeggen gevluchte Burmese studenten. Het is in hun rommelige onderkomens aan de Thaise grens een komen en gaan van activisten van de verboden studentenbeweging. Deze Burmese jongeren beginnen hun geduld te verliezen. Zij willen inspelen op de enorme onvrede onder de bevolking over de armoede en de onderdrukking door demonstraties in gang te zetten.
Die plannen roepen gemengde reacties op. Volgens Aung Zaw, een journalist in ballingschap, heeft de Burmese junta Indonesië als schrikbeeld. Daar vormden de massale studentendemonstraties de eerste aanzet tot het aftreden van president Soeharto. ,,Waarschijnlijk krijgt het Burmese leger de opdracht het vuur te openen op de demonstranten en dan wordt het opnieuw een bloedbad'', zegt Aung Zaw.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.