*

 
dossier

Archief

'Toch ga ik fluitend door het leven'

ARJAN VISSER − 31/01/98, 00:00

1 Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

Wij gingen vanaf ons vierde, vijfde jaar mee naar de Gereformeerde kerk waar mijn vader predikant was. We kregen twee pepermunten per preek. Dat waren niet de Kingetjes waar wij altijd op hoopten, maar van die grote dikke dingen. Als je ging fluisteren werd er streng naar je gekeken en dan hield je wel op, omdat anders die pepermunt je ook nog werd onthouden. We moesten leren luisteren. En er was nog een extra reden om stil te zitten: mijn moeder was herniapatiënt en kon al dat gewiebel in de bank niet verdragen. Te laat komen in de kerk was uit den boze. Mijn moeder had haar vaste plek, daar stond een bordje 'Niet vrij'. Eerst stonden er zeven bordjes, maar allengs gingen de kinderen steeds verder achterin zitten en dan verdween er weer zo'n bordje. Mijn vader preekte veel en graag. Soms duurde het mij iets te lang, maar het was wel altijd een verhaal met een kop en een staart. Een enkele keer zei hij iets tegen ons, in zo'n preek. Dan had hij er een meningsverschil van thuis in verwerkt. 'Zeg pa', ging het dan na de kerkdienst, 'zo denkt u er dus over?' En dan werd de discussie weer opgepakt. Als domineesgezin leefden wij in een glazen huis; er werd op ons gelet en ik heb dat als erg beklemmend ervaren. Ik voelde toch de verantwoordelijkheid ten opzichte van mijn ouders. In de loop der jaren versoepelde die oplettendheid wel, maar het besef dat de buitenwacht verwacht dat jij op een bepaalde manier handelt, ben ik nooit meer kwijtgeraakt. Op de MMS ging ik twijfelen over 'het geloof'. Toen viel mij het verschil met de katholieken ook pas goed op: effe biechten - misschien even een lastig moment - tien Weesgegroetjes en het was weer over. En wij, de protestanten, namen dat ons hele leven mee op de schouders: wat ik heb gedaan, hoor ik niet te doen. Wat de voordelen van een protestantse opvoeding zijn, ontdek je pas als je de jaren des onderscheids hebt bereikt. Ik ben een echte Brabantse calviniste: ik heb een scherp besef van wat rechtvaardig is en wat niet, maar ik heb van de katholieken ook geleerd te relativeren, waardoor ik uiteindelijk toch fluitend door het leven ga.''

2 Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Ik heb hier in huis behoorlijk wat gesneden beelden hangen. Het zijn maskers die ik meeneem uit het buitenland. Ze hebben met mijn voorliefde voor vastenavond te maken. Dan ben ik zelf ook gemaskerd, onherkenbaar voor de buitenwacht. In mijn jonge jaren mocht ik niet meedoen met vastenavond, maar toen ik kon duidelijk maken dat het met de losbandigheid - waar het feest volgens mijn ouders voor stond - behoorlijk meeviel, vonden ze het wel goed. Ieder jaar doe ik weer mee, dan heb ik vier dagen lang niets te maken met wat zich boven de Moerdijk afspeelt. Dweilen, de optocht, het straatfestijn, kletsen met vrienden, bekenden en onbekenden, grappen maken, het praatje op d'n biljart waarbij dan de lokale politiek op de hak wordt genomen; ik zou het niet meer kunnen missen. Het is alsof ik even een heel ander leven leid. Ik heb het één keer overgeslagen. In 1994 moest ik voor de gemeentelijke en landelijke verkiezingscampagnes nog een aantal dingen doen en ik kreeg mijn werk gewoon niet af. Dus was er nog maar één oplossing: die vier dagen erbij pakken. Voor niemand bereikbaar, pluggen uit de muur en bloedhard gewerkt. Maar ook: vier dagen chagrijnig geweest. Dat was in de categorie 'eens maar nooit weer'. Vastenavond staat voor totale ontspanning, een vakantie. Waar anderen naar Parijs gaan, ga ik naar Krabbegat.”

3 Gij zult de naam van de Here, uw god, niet ijdel gebruiken

“Sakkerju en nondeju willen er bij mij nog wel eens uitkomen, maar het blijft meestal beperkt tot shit. Ik heb geleerd mijn drift beter te beheersen. Niet dat ik van het vloekende, tierende soort was, maar ik kon toch behoorlijk driftig worden en dat is niet altijd een sterkte. Het werkt pas in je voordeel als je het kunt beheersen en desnoods die woede als een instrument inzetten. In de politiek laten zien wat je raakt, kan als een zwakte worden benaderd. Maar zolang je ermee kunt blijven functioneren, lijkt het me toch beter dan steeds weer aan te komen met dat opgekropte 'het is mij egaal of er dit of dat uitkomt'. Een tijdje terug liep ik, tijdens een debat over ontwikkelingssamenwerking, vanwege rugklachten zo'n beetje heen en weer, toen het CDA riep dat de VVD over dit onderwerp de mond dicht moest houden. Ik draaide me om en riep: 'Om de donder niet' Ik zei het niet in de interruptiemicrofoon, maar het is toch genotuleerd als een officiële uitspraak van mij. Ik weet niet of vrouwen emotioneler zijn dan mannen in een debat. Van een paar vrouwen is bekend dat zij eens in de Kamer hebben gehuild, maar dat zegt mij niets; emoties kunnen er op allerlei manieren uitkomen. Iemand kan ook een tijd niets zeggen, of met zó'n slurf rondlopen omdat iets hem niet bevalt. Ik geloof niet dat ik ooit zal huilen in de Kamer, maar als het zou gebeuren, lijkt mij dat eerder een teken van betrokkenheid, dan een teken van zwakte. Het mag er wat mij betreft stevig aan toe gaan tijdens een debat, zolang je jezelf maar in toom probeert te houden. Ik hou er niet van om op de man te spelen. Je moet geen dingen gaan zeggen als: 'Hoe kan iemand met zo'n scheve neus nou zo'n verstandige uitspraak doen?' ”

4 Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de here uw god, dan zult gij geen werk doen

“Mijn besluit om me niet nog eens beschikbaar te stellen voor de VVD-fractie in de Tweede Kamer heeft min of meer met dit gebod te maken. Ik heb me nu zestien jaar lang uit de naad gewerkt. Omdat ik vind dat ik - zeker als volksvertegenwoordiger - geen half werk mag leveren, had ik nooit tijd over voor mezelf of voor mijn relatie. Ik geloof ook niet dat het een act van Gerrit (minister Zalm, red.) was om te zeggen dat hij om zes uur thuis aan tafel wil zitten. Want als je er niet voor waakt, word je in de politiek echt een slaaf van je werk. Daarom vond ik de discussie van minister De Boer over de onthaasting ook zo goed. Er is erg om gelachen, maar we hebben er wel allemaal mee te maken en daarom is het belangrijk dat zo'n thema eens op tafel wordt gelegd. Ik was nooit een 'van negen tot vijf'-mens en ik heb altijd gezegd: werk komt voor het meisje. Maar ik heb me gerealiseerd dat ik ook behoefte heb aan rustige momenten. Om me te bezinnen, een stukje te wandelen of een potje te flipperen voor mijn part. Dat je in de politiek alleen maar voor tweehonderd procent kan werken, is ook iets dat moet veranderen. Je kunt toch niet de deeltijdarbeid prediken en die aan jezelf voorbij laten gaan?”

“Naast de politieke redenen is er ook nog het verhaal van de agenda. Het gaat wel tellen, al die weekenden waarin je uitsluitend bezig bent met je werk. Dan komt er een moment waarop je moet kiezen: wil ik zo doorgaan? Ik ga straks meer mijn eigen agenda bepalen. Een ander aspect is dat ik heel erg ziek ben geweest en door het oog van de naald ben gekropen, waardoor ik ben gaan beseffen dat het zo over kan zijn. Of dat je ineens vijfenzestig bent en je je bedenkt dat je alleen maar hebt gesloofd. Dat is het me allemaal niet meer waard. Dat ik in politiek Den Haag niet op mijn plaats zou zitten, valt voor mij onder de categorie 'geleuter'. Het werk als zodanig is mij op het lijf geschreven. Ik kan er ontzettend van genieten om van het ene debat naar het andere te rennen. Iemand schreef mij: 'Ik begrijp heel goed waarom ik deze moeilijke beslissing heb genomen. Jij wilt je eigen onafhankelijkheid niet verliezen'. En zo is het precies.”

5 Eert uw vader en uw moeder

“In zekere zin was vaders wil wet, maar moeders wist ook heel goed wat ze wilde. Eert uw vader en uw moeder, dat was volstrekt helder. Ze leerden ons respect te hebben voor andere opvattingen, zonder automatisch die van onszelf in te leveren. Mijn ouders hebben ieder op hun eigen wijze een even grote invloed op mijn leven gehad. Al sprak het leven dat mijn vader leidde meer tot mijn verbeelding: hij opereerde in de buitenwereld. Daar wilde ik ook zijn. Ik hield ervan om aan de Schelde te spelen, was soms nèt op tijd weer binnen voor het eten. Mijn moeder opereerde hoofdzakelijk in de binnenwereld om haar zes koters groot te brengen. Ze deed het goed en had er haar handen vol aan, maar die wereld stond voor mij te veel voor stofzuigen, ramenlappen en ander noodzakelijk kwaad. Als er bij ons vrouwen over de vloer kwamen, keek ik daar niet van op of om, maar mannen, ja, die deden buitenshuis allerlei spannende dingen. Pa was de schakel naar buiten. Ik ging vaak, achterop de Solex, mee op huisbezoek. Dan zat ik in een hoekje en hield me muisstil. Tot ik de gesprekken kon volgen en niet meer mee mocht.”

“Ik lijk wel op mijn vader. Het diplomatieke in mijn werk; proberen mensen bij elkaar te brengen - zonder het eigen standpunt te verhullen - en oplossingen te bedenken, dat heb ik van hem. Mijn vader hield nauwlettend in de gaten hoe het mij in de politiek verging. Vlak voor hij overleed, in 1986, waren er verkiezingen. Ziek als hij was, heeft hij toch de uitslagen naast elkaar gelegd en tegen mij gezegd: 'In Amsterdam heeft de VVD het beter gedaan dan in andere steden'. Ik vond het erg ontroerend. Wij zijn er niet het gezin naar om elkaar de hemel in te prijzen, maar zijn betrokkenheid werd via zo'n omweggetje toch nog overgebracht.”

6 Gij zult niet doodslaan

“Ik dood niet. Als hier een spin loopt, gaat daar een theedoek overheen, zodat-ie nog een beetje de ruimte heeft, dan doe ik deur open en zeg: 'Vriend, uw plaats is buiten'. Ik heb respect voor het leven van dieren. Ik maak alleen een uitzondering voor de mug, want op een of andere manier ben ik altijd de klos.”

7 Gij zult niet echtbreken

“Nee, liever niet. Maar als het niet marcheert, dan marcheert het niet. Als je zelfs bij iemand langs bent geweest om erover te praten en het helpt allemaal niet, dan heeft het geen zin om ermee door te gaan. Dan wordt het een kwelling. Dat is bij mij ook heel ver gegaan; ik heb tegen beter weten in geprobeerd mijn relatie in stand te houden. Ik had al eerder de knop om moeten zetten, maar ik heb dat niet kunnen doen omdat ik het kennelijk als een verlies ervaar: ik ben niet in staat om het weer bij elkaar te brengen. Ik weet niet of ik daardoor voorzichtiger ben geworden in mijn nieuwe relatie. We zijn gelukkig. Aan trouwen denk ik helemaal niet, zo ver zijn we nog lang niet. Ik heb mij voor de openstelling van het huwelijk in de Kamer behoorlijk ingespannen. Ik heb die discussie sec op principiële gronden gevoerd, in mijn functie als Kamerlid. De overheid kan niet met twee monden spreken en zeggen dat er sprake is van een gelijke positie en dat vervolgens niet in de praktijk brengen, dat levert eerste- en tweederangs burgers op. Het gaat mij om de openstelling. Ik heb vanuit homo-land wel eens een reactie gekregen in de trant van: 'Hoe kun je je hier nu in hemelsnaam voor inzetten? Ik ben tevreden met een samenlevingscontract' Dan zeg ik: 'Nou, hartelijk gefeliciteerd. Als dat voor jullie past, wens ik je veel heil en zegen, maar voor anderen is dat niet zo'. Het gaat mij om een principiële discussie: stelt de gelijkheid van relaties nu iets voor of niet? Als de overheid meer waarde hecht aan de ene relatie dan aan de andere, dan is de overheid inconsequent.”

8 Gij zult niet stelen

“Er is geen enkele reden voor wie dan ook in Nederland om wat dan ook te stelen. Volstrekte onzin. Ik heb die uitspraak over het stelen van een brood door bisschop Muskens ervaren als een volstrekt verkeerde poging om de rooms-katholieke kerk op de maatschappelijke kaart te zetten. Ik las onlangs dat het gat tussen de gelovigen en de kerk zo groot is. Deze manier van 'opkomen voor de armen' is daarom volgens mij vooral een manifestatie in zichtbaarheid; een weg waarlangs men de kerk wil revitaliseren. Iedere burger heeft het recht om te zeggen wat hij van iets vindt, ook de kerk, maar dit was een directe uitnodiging om te handelen tegen de wet, en dat mag niemand. En het is echt niet zo dat er sinds die uitspraak van Muskens pas wordt nagedacht over het lot van mensen aan de onderkant van de samenleving. De kerk mag zich mengen in een maatschappelijke discussie, maar zodra er dan ook oplossingen aan te pas komen, loop je het risico je te mengen in een partijpolitieke discussie. En dan ben ik toch geneigd te zeggen: schoenmaker, hou je bij je leest.”

9 Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste

“In de politiek wordt net zo vaak gelogen als daarbuiten. Politieke tegenstanders vinden van elkaar dat zij op een te flexibele manier met de waarheid omgaan, maar dan draait het er meestal om of de aspecten die jij in een debat wilt benadrukken ook bij jouw politieke opvattingen horen. En het kan best zijn dat je iets wat in jouw straatje te pas komt nog nèt een onsje meer aandacht geeft. Dat doet de koopman op de markt ook als hij zijn waren aanprijst. Is dat liegen? Volgens mij niet. Als ik een onderwerp behandel waarin een element zit dat mij niet goed van pas komt, denk ik: dat zal die ander wel aanpakken; het komt vanzelf wel op tafel.”

“Ik weet niet of het zo is dat verkiezingsbeloften zelden worden waargemaakt. Als ik een verkiezingsprogramma schrijf, dan is dat mijn opvatting over wat de VVD zou moeten vinden en daar ga ik vervolgens de onderhandeling mee in. We hebben nu kunnen zien hoe slecht het uit kan pakken als je onder het juk van de ander door moet. Zowel PvdA als VVD heeft dat met het CDA ervaren. Zoiets komt de politieke stabiliteit niet ten goede; het drukt een ander ook helemaal weg. Ik ben veel meer van de lijn: we zitten met z'n drieën in een coalitie - want ik vind dat D66 in mei zeker weer mee moet doen - en dus moet je alledrie met iets thuis komen. En dan mag je van mij nog zeggen dat je het voor de poorten van de hel hebt weggesleept.”

10 Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Ik ben nu de directeur van het dakterras en ik had eigenlijk een tuin zoals die van onze oude pastorie willen hebben, maar het is nu eenmaal niet anders. Dat wil niet zeggen dat je nooit mag proberen je positie te verbeteren: een dubbeltje mag best een kwartje worden. Met betrekking tot relaties ligt het veel gecompliceerder, maar heb ik wel degelijk 'uws naasten vrouw' begeerd. En daar is het niet bij gebleven: zij is nu mijn partner. Ik kende haar al langer, maar dat we meer dan vriendinnen waren, wilde ik niet weten. Iemand wees mij in die tijd op een uitspraak van mezelf een jaar geleden: 'Zeg, was jij niet degene die zei: ik begin er niet meer aan?' 'Dat klopt', antwoordde ik, 'maar ik had buiten deze vrouw gerekend'.”

mailIcon print |