WAGENINGEN - Het zijn geenszins de varkenshouders in Nederland die de komende jaren onder het nieuwe mestbeleid van de regering zullen lijden. Veeleer zijn het de aan die boeren verbonden bedrijven - de slachterijen, de transportsector, de veevoerindustrie - die last krijgen van de beoogde inkrimping van de veestapel.
De protesten van varkenshouders en hun boycot van de verplichte mestheffing zijn gebaseerd op onrealistische angsten. Tot die conclusie komt J. Peerlings, onderzoeker aan de Landbouw Universiteit in Wageningen. Hij verrichtte met zijn collega M. Komen een studie naar de gevolgen van het mestbeleid dat de regering onlangs heeft aangenomen. In het economenvakblad ESB verschijnt vandaag een artikel waarin de twee hun belangrijkste bevindingen weergeven.
De overheid zelf berekende dat het inkomen in de gehele varkenshouderij slechts met 53 miljoen gulden zou afnemen bij de aangescherpte normen die gelden voor het jaar 2000. Dat zou 700 arbeidsplaatsen kosten in de varkenshouderij en nog eens 1000 in de rundveehouderij, aldus de mestnotitie. Maar in dit rapport is, aldus Peerlings, alleen gekeken naar de boetes voor overschotten. De daaropvolgende gevolgen van inkrimping van de veestapel zijn niet of nauwelijks bekeken, concludeert hij. “Terwijl het simpele feit dat er minder varkens komen, betekent dat er zo'n 1800 banen extra gaan verdwijnen bij bedrijven als slachterijen, transport, etcetera.” Het produktieverlies in de varkenshouderij zal door het aantal dalende varkens ook veel meer zijn dan de overheid berekende, zo'n 300 à 400 miljoen gulden, schatten de twee wetenschappers.
'Warme' sanering
De varkenshouders zelf zullen in aantal eveneens afnemen. Maar dit zal een zogenoemde 'warme' sanering zijn, denken de Wageningse onderzoekers. Hun inkomensverlies zal niet groot zijn. Dat komt wederom door een effect dat de overheid over het hoofd ziet, meent Peerlings: de verkoop van de mestproduktierechten. Iedere boer heeft een bepaald mestquotum en kan dit verkopen als hij ermee ophoudt. Minister van Aartsen (landbouw) heeft vergevorderde plannen deze rechten voor een deel op te kopen. Dat zal direct zorgen voor een afname van de veestapel. Die mestproduktierechten worden verder verkocht aan de meest-biedende. Zij worden door de scherpere mestnormen - en hogere boetes bij overschotten - steeds meer waard.
“Als een varkenshouder stopt met zijn bedrijf, krijgt hij dus geld. Dat verzacht voor hem de pijn.” Het zijn de bedrijven rondom de boer, die dit voordeel niet hebben. Zij worden dus zwaarder geraakt als er minder varkens zijn.
De varkenshouders die overblijven zullen, en hierin zijn de onderzoekers het eens met de overheid, het van nieuwe technologie moeten hebben om de uitstoot van schadelijke fosfaten en stikstof de komende jaren te laten krimpen. Peerlings: “Tot het jaar 2000 zijn de normen nog zo dat ze het redden met kleine aanpassingen. Daarna worden die inderdaad zo scherp, dat nieuwe technieken moeten worden uitgevonden. Veevoer met minder mineralen, dat soort uitvindingen is nodig. Maar het is niet onrealistisch van de overheid om te verwachten dat die er komen.” De onderzoeker denkt dat juist de scherpere normen een stimulans zijn in die techniek te investeren. “Want dat betaalt zich op den duur natuurlijk uit.”
Overdreven
Het Landbouw Economisch Instituut in Wageningen verrichtte eveneens onderzoek naar de sociaal-economische gevolgen van het mestbeleid en kwam uit op een totaal van 8000 banen verlies.
Peerlings weet zeker dat dit getal 'schromelijk overdreven' is. “Hun rapport hebben we niet bestudeerd, maar ergens moet er in hun berekeningsmodel iets misgegaan zijn.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.