*

 
dossier

Archief

Belijden

CORNELIS VERHOEVEN − 22/01/98, 00:00

Op de rommelzolder van mijn geheugen woedt soms een nachtelijk gevecht tussen de uiteenlopende associaties die het woord 'belijden' in de loop van de tijd bij mij is gaan oproepen. Twee ervan betwisten elkaar de oudste rechten. De eerste vertegenwoordigt een archaïsche vorm van het dialect dat ik om mij heen hoorde, zij past dus het meest bij de taal die mij het meest eigen is, en ik kan haar niet zo maar uitschakelen. De tweede werd opgewekt door het taalgebruik in de kerk. Wat de eerste betreft: oudere mensen gebruikten 'belijden' in de betekenis van 'lijdzaam ondergaan'. Wie het allemaal maar moest 'belijden', had geen andere keus dan zich passief, maar gewillig te schikken in zijn omstandigheden. Ik heb dat altijd een mooi woord gevonden, ook al omdat ik er zelden enig leed in hoorde, eerder het blijmoedig soort van gelatenheid, dat typerend is voor het leven van eenvoudige en tevreden mensen. Maar het lukt mij niet deze associatie in harmonie te brengen met de andere betekenissen.

In het woordenboek, dat ook niet meer mag doen dan registreren wat wordt aangetroffen, vind ik deze oude betekenis dan ook onder 'belijden' 1, alsof het hier gaat om twee woorden die alleen maar toevallig hetzelfde klinken. Als we die met een geleerd woord 'homoniemen' noemen, zij we meteen mooi van het probleem af.

'Belijden' 2 is mij alleen bekend geworden uit de kerkelijke taal, die wij niet spraken, maar aanhoorden en lazen. Er waren onder de erkende heiligen die vereerd werden, martelaren en 'belijders'; en het verwarrende voor kinderen was dat martelaren niet martelden, maar wel leden, en dat belijders niet leden, maar alleen verbaal ergens voor uitkwamen. En waar zij openlijk voor uitkwamen, waren dan niet hun zonden, maar hun geloof. Dat was weer moeilijk te combineren met de trits 'berouw, belijdenis en voldoening' die voor een goede biecht vereist was. 'Belijdenis' betekende daar het bekennen van een rijtje zonden, en 'voldoening' was helemaal niet een tevreden en voldaan gevoel en dus in strijd met 'berouw ', maar het doen van boete, genoegdoening. Daar kwamen dan later nog de 'Belijdenissen' van de heilige belijder Augustinus bij. Dat boek was niet zo maar een openbare biecht, want het Latijnse 'confessio', zoals hij zelf uitlegt, betekent in zijn kerkelijke taal niet alleen dat iemand openlijk uitkomt voor zijn geloof of zijn zondigheid, waarbij het geloof het besef van zondigheid versterkt, maar het is ook een lofprijzing van de schepper en de verlosser.

Als het even rustig is op mijn zolder, lijken al die associaties toch, vreedzaam en ingewikkeld, bijeen te komen in een duidelijk en totaal niet pijnlijk besef van eigen geringheid, gekoppeld aan de bereidheid daarvoor uit te komen en aan het bewustzijn, dat de echte, verheven, Iyrisch stemmende, duizelingwekkende en prijzenswaardige grootheid moet liggen buiten die kleine cirkel van wat wij zelf zoal maken en verkondigen. 'Belijden' moet, als ik mij tenminste niet gedwongen hoef te zien iets dierbaars uit mijn gevoelige jaren af te schrijven, toch vooral ook te maken hebben met een vorm van eerlijkheid waarin wij zwichten voor die grootheid en ons niet schamen voor onze afhankelijkheid ten opzichte daarvan uit te komen. Voorzover het als vorm van 'lijden' met passiviteit te maken heeft, betekent het ondergaan daarvan toch wel allereerst dat alles wat groots en indrukwekkend is, wat ons altijd weer imponeert en waarvoor wij met wellust en weerloos zwichten, in geen geval het product van onze eigen activiteit kan zijn.

mailIcon print |