'Overgangstijd' heb ik altijd een woord gevonden voor feestredenaars, zo'n overkoepelend woord dat je voor eigen rekening amper durft uitspreken. Je moet een beetje dapper zijn en een ernstige vorm van volwassenheid bereikt hebben, liefst ook een aanzienlijke positie, om zo'n woord te mogen gebruiken.
Het past wel mooi in een wat huppelend jubileumproza, met sierlijke gebaren onderstreept en gekenmerkt door een breed golvende ritmiek van enerzijds en anderzijds. Want wij kijken, aldus de spreker, terug op een voorbije periode waarin veel veranderd is, maar wij werpen tegelijk ook een blik op de tijden die zich nu aankondigen; en wat we dan aan de horizon zien, vooral bij de jeugd, dat is bemoedigend en geeft ons vertrouwen in de toekomst. Vroeger durfde nog wel eens een spreker het heden te situeren op een 'breukvlak der tijden', maar dan moest hij wel buitengewoon dapper zijn en zich een scherpe blik toeschrijven op de loop van de geschiedenis in haar knikken en kronkels. Zo'n spreker kon ook rustig reppen van een 'smeltkroes van culturen', zonder te hoeven rekenen op een Aha-erlebnis bij het gehoor.
In de grond is het tamelijk eenvoudig. Wie leeft, leeft in een tijd en wie in de tijd leeft, leeft in het heden, de kern van onze beleving van de tijd. Vanuit het heden overzien we een deel van het verleden en, als we aannemen dat we er morgen ook nog zijn, zetten we meteen een stapje in de toekomst. We leven dus altijd en onontkoombaar in een overgangstijd en we kunnen daar met de beste wil van de wereld niet uit weg springen om boven alle tijden te zweven. Als we dezelfde bevinding met gewichtige woorden uitspreken, voegen we daar niets aan toe en brengen we ook niet iemand op een idee dat nog niet bij hem was opgekomen. Clichés worden nooit voor het eerst gebruikt en ze zijn vanaf de tweede keer al een beetje versleten. Zij lijken wel speciaal gemaakt om niet helemaal ernstig te worden genomen of ontwrichtend te werken. Waarom werd het dan vroeger zo plechtig gezegd en wordt nu met zoveel nadruk hetzelfde met een air van diepzinnigheid gezegd over crisis en postmodern tijdvak? Dat zegt bij nader inzien niets meer en niets anders dan het plechtige ronken over breukvlak, huidig tijdsgewricht en overgangstijd. En dat zegt bij alle geronk iets heel fundamenteels, namelijk dat wij in de tijd leven en ons daarvan bewust zijn.
Elke tijd heeft zijn eigen clichés. Een tijdvak is eenvoudig te omschrijven als de levensduur van een cliché. Vanaf het moment dat clichés wat plechtig, nadrukkelijk en als het ware met ingebouwde wanhoop worden uitgesproken, geven ze daarmee te kennen dat ze op sterven liggen. Ze zijn dan definitief het stadium voorbij waarin zij nog een verrassende bevinding konden uitspreken. Maar dan nog zijn ze een gezamenlijk bezit, zoals 'onze' tijd dat heet te zijn. Wij hebben de overgangstijd in eigen hand, zegt de spreker; de afloop van de crisis hangt af van onze beslissing en van de stappen die wij nu gaan zetten. Het feestelijke woord is altijd ook een waarschuwing en een vermaning. Het klinkt door de zaal als een holle galm, omdat er weinig te vermanen valt. De overgangstijd lijkt bij alle plechtige retoriek toch zijn eigen gang te gaan.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.