Van een onzer verslaggeefsters AMSTERDAM - Alle situaties waarin wordt samengewoond met kinderen worden door meer dan driekwart van de Nederlandse ouders een gezin genoemd, ongeacht overige kenmerken. De verdraagzaamheid in het denken over samenlevingsvormen is dus redelijk groot, concludeert de Nederlandse Gezinsraad uit de resultaten van de eigen Gezinsenquête die gisteren is aangeboden aan staatssecretaris Terpstra van VWS.
Dat betekent echter niet dat men automatisch iedere samenlevingsvorm (natuurlijke ouders, stiefouders, ouders van hetzelfde geslacht, alleenstaande ouder) even goed vindt als opvoedingsklimaat voor kinderen. Uit de enquête blijkt een uitgesproken voorkeur voor het tweeoudergezin (92 procent), helemaal onderaan het lijstje staat het eenoudergezin (7 procent). Niet zo verwonderlijk, want de gezinsenquête is afgenomen onder duizend respondenten die zelf deel uitmaken van een tweeoudergezin met thuiswonende kinderen. Daarvan zijn er overigens 2,1 miljoen in Nederland, waar in totaal acht miljoen personen deel van uitmaken.
Reden dat de onderzoekers van de NGR zich hebben beperkt tot de heteroseksuele tweeoudergezinnen is dat naast opvattingen over gezin, de taakverdeling tussen vrouwen en mannen in een huishouden met kinderen de centrale vraag was in deze enquête die in de afgelopen jaren is gehouden. Het initiatief stamt uit 1994, het door de VN uitgeroepen Internationale jaar van het gezin.
Situaties waarin geen sprake is van inwonende kinderen worden niet als een gezin gezien, met uitzondering van het gehuwde paar zonder kinderen. Volgens de onderzoekers kan dat komen doordat men aanneemt dat de kinderloosheid een tijdelijke situatie betreft en het paar wordt gezien als een gezin-in-wording.
Voor de opvoeding van kinderen achten de ondervraagden twee ouders (ongeacht geslacht of verwantschap) altijd beter dan één ouder. Een vrouw-manrelatie (ongeacht verwantschap) wordt geprefereerd boven een homoseksueel ouderschap en er is een voorkeur voor natuurlijke ouders boven stiefouders. Het een-oudergezin staat onderaan de hiërarchie. Het is volgens de onderzoekers denkbaar dat de ondervraagden bij de afweging tussen gezinssituaties vooral aan praktische belemmeringen hebben gedacht. Twee ouders in plaats van één betekent doorgaans dat er meer tijd voor de kinderen beschikbaar is en in de meeste gevallen beschikt het tweeoudergezin over meer financiële middelen.
Een situatie waarin beide partners fulltime werken wordt door tweederde van de ondervraagden 'slecht' genoemd voor de ontwikkeling van kinderen, veel steun is er voor de situatie waarin beide ouders parttime werken. In de onderzoeksgroep komt dat weinig voor (een krappe drie procent). Bij 54 procent van de gezinnen is de man de enige kostwinner. Daarna komen de 'anderhalfverdieners' (31 procent), waarbij de man fulltime en de vrouw parttime werkt. In vijf procent van de gezinnen is er sprake van twee fulltime werkende ouders.
Van de opkomst van een nieuw op meer gelijkwaardigheid gebaseerd gezinsmodel, zeggen de onderzoekers Van der Avort, Cuyvers en De Hoog, blijkt dus weinig. Zeker als er kinderen komen neigt het rolgedrag naar het klassieke kostwinnersmodel. Na de geboorte van het eerste - en in mindere mate van het tweede - kind trekken vooral vrouwen zich (gedeeltelijk) terug van de arbeidsmarkt.
Of de ondervraagden daar tevreden over zijn blijft de vraag. De wens tot verandering komt in deze enquête naar voren in de vraag welke gezinsvormen beter zijn voor de ontwikkeling van een kind. Velen blijken dan geen voorstander te zijn van het exclusieve kostwinnerschap door de man, maar geven de voorkeur aan parttime werken (en dus parttime zorgen) door beide ouders. Veel mannen uiten de wil om korter te werken.
Als belemmeringen worden genoemd: verminderde financiële mogelijkheden, ongeschiktheid van de baan, gevaren voor de carrière of weigering van de werkgever.
De onderzoekers concluderen dat, in vergelijking met het burgerlijke gezinstype uit de jaren '50 en eerder, weliswaar blijkt dat de arbeidsparticipatie van vrouwen is toegenomen, maar dat dat weinig invloed heeft op de interne taakverdeling in het gezin. Volgens de NGR zou meer maatschappelijke ondersteuning daar verandering in kunnen brengen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.