Van een onzer verslaggeefsters DRIEBERGEN - De Statenvertaling is in het behoudende deel van de protestantse kerken niet onaantastbaar meer. Gewone kerkgangers en zelfs predikanten kunnen niet meer uit de voeten met de taal uit 1637. Er zal dus iets moeten gebeuren om de kloof tussen de monumentale bijbelvertaling en de moderne kerkganger te overbruggen.
Daarover waren alle deelnemers aan de jaarlijkse predikantenconferentie van de Gereformeerde bond (die orthodoxe hervormden bindt) het gisteren eens. Ze verschilden van mening of de oplossing gezocht moet worden in een herziening van de Statenvertaling of in aansluiting bij de Nieuwe bijbelvertaling 2002, waaraan protestanten en katholieken op het ogenblik gezamenlijk werken.
Hoe problematisch de taal van de Statenbijbel geworden is, blijkt onder meer uit de uitkomsten van een enquête onder gereformeerde bonds-predikanten en onder kerkelijke jongeren. Er is eigenlijk een aparte training nodig om de Statenvertaling goed te kunnen begrijpen, zeiden de predikanten. VWO-leerlingen van boven de veertien en Mavo-klanten van boven de zestien kunnen de teksten wel begrijpen, maar anderen lezen slechts woorden voor.
Alleen als thuis regelmatig de bijbel wordt gelezen, redt de Statenvertaling het nog. Van de ondervraagde jongelui gaf de helft aan dat de Statenvertaling moeilijk te begrijpen is, 28 procent “wist het niet” en 21 procent vond haar wel te begrijpen.
Hoewel predikanten unaniem stelden de 'nieuwe vertaling' (daterend uit 1951), de Groot Nieuwsbijbel en Het Boek geen goede alternatieven te vinden, blijkt dat die in de gezinnen wel volop ingeburgerd zijn; met name Het Boek staat goed aangeschreven. Vooral in het evangelisatiewerk, en bijvoorbeeld op scholen worden de toegankelijker versies gebruikt. Vaak ook in combinatie met de Statenvertaling.
De resultaten van dit door de Hervormd-gereformeerde jeugdbond uitgevoerde onderzoek werden gisteren in Driebergen bekend gemaakt door dr. M.J. Paul uit Dirksland. Hij is als supervisor bij de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) betrokken. Dat maakt hem overigens niet op voorhand voorstander van deze nieuwe standaardvertaling; daarvoor heeft hij nog teveel twijfels. Hij riep zijn bondsbroeders wel op zich te bezinnen op de toestand. Alleen kritiek leveren als de NBV straks klaar is en alles bij het oude laten, kan niet, hield hij zijn gehoor voor. Daarvoor zijn de problemen met de verstaanbaarheid van de oude vertaling te groot en te algemeen erkend. De Gereformeerde bond zal een commissie in het leven moeten roepen die zelf aan de slag gaat. Zo'n commissie kan eventueel tot een herziening van de Statenvertaling besluiten. Zij zal, zei Paul, zelf criteria moeten opstellen waaraan een eigentijdse bijbelvertaling moet voldoen. Verder zal zij moeten samenwerken met andere kerkgenootschappen die met dezelfde problemen kampen.
Maar hoe dan ook, vatte Paul zijn betoog samen, “wij moeten kiezen.” Wachten op proefvertalingen van de NBV (de eerste bijbelboeken komen in september) kan fataal zijn. Gemeenteleden moeten weten waar ze op kunnen rekenen. Afwachten wat anderen produceren, zal ertoe leiden dat ieder achter zijn eigen leiders aanloopt, met alle versnippering van dien.
Ook bij de vraag welke bijbelvertaling de kerk zal kiezen, speelt kerkpolitiek mee. Er zijn er immers op de rechterflank van het protestantisme die zelfs het wijzen naar de Statenvertaling al te ver vinden gaan. Discussies over de vraag met hoeveel hoofdletters je HEERE schrijft (HEER in de NBV), of bijvoorbeeld over het laten vallen van het oudtestamentische ''En het geschiedde'', roepen al heel gauw emoties op, bleek gisteren in Driebergen opnieuw. Verschillende predikanten riepen op de kerkpolitiek er alsjeblieft buiten te houden, maar Pauls referaat maakte duidelijk dat dat niet kan. Want ook als besloten wordt tot een herziene Statenvertaling - door sommigen al als 'bondsbijbel' betiteld - zal de rechtzinnigheid van een gemeente worden afgemeten aan de vraag welke vertaling ze op de kansel gebruikt: de Statenvertaling van 1637, de herziene Statenvertaling of misschien zelfs de NBV, die Paul nog niet helemaal wilde afschrijven. De standpunten van de zaal liepen, kort samengevat, uiteen van 'zolang we niks beters hebben houden we vast aan de Statenvertaling' (ds M.A. van den Berg, Groot Ammers) tot 'een vertaling van een club? mij niet gezien' (prof. Immink).
Vrij algemeen klonk de roep om een zogeheten parallelbijbel: publiceer de NBV in combinatie met de Statenvertaling en voorzie haar van voetnoten. Een vertegenwoordiger van uitgeverij Jongbloed zei meteen dat dit geen probleem zou zijn.
Hebraïcus Th. A. W. van der Louw, een bonder die aan het vertaalproject meedoet (“niet om ervan te maken wat ervan te maken valt, maar omdat ik volledig achter de vertaalprincipes sta”) las enkele proefstukjes voor. Ds R. A. Grisnigt was er niet blij mee. “We moeten niet denken dat we het probleem hiermee onder de knie hebben. Het doet mij teveel aan de Statenvertaling denken. Het blijft literatuur. Ondertussen leven de mensen in een beeldcultuur. Je hebt op de kansel een heel eenzame positie, welke vertaling je ook gebruikt. Daar zouden we in onze kring wel eens over na mogen denken.”
Bondsvoorzitter Van Brummelen ten slotte: “Toen ik in 1957 in Schoonrewoerd begon, werd er nog tegen het elektrisch licht gepreekt. En nog iets anders: Wie hoor je tegenwoordig nog over vleeskleurige kousen?”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.