*

 
dossier

Archief

Een wapen tegen de erosie in de politiek

ROB OUDKERK − 19/05/95, 00:00

De auteur is Tweede-Kamerlid PvdA en huisarts

Een terugblik op één jaar Kamerlidmaatschap zou er makkelijk een kunnen zijn van een opsomming van de warme douches en soms steenkoude slagregens die over je heenkomen. Leuke gebeurtenissen genoeg. Vervelende akkefietjes overigens ook. Politieke verbazing of verrassing bij de vleet. In Den Haag geldt dat dit soort bespiegelingen meestal plaats vinden na afsluiting van een al dan niet geslaagde politieke carrière of regeerperiode. Ter vermaak en lering. Iets voor later dus.

Na één jaar Kamerlidmaatschap ben ik enerzijds toenemend enthousiast over de mogelijkheden die politiek bedrijven in principe in zich heeft en anderzijds bezorgd over de geleidelijke afbrokkeling van wat we te bieden hebben. 'We' als politiek in het algemeen en als PvdA in het bijzonder. Meer dan ik een jaar geleden zou hebben gedaan onderschrijf ik dan ook de woorden van Marcel van Dam in zijn boek 'De opmars der dingen': “De overheid verliest steeds meer greep op de samenleving en is op zoek naar een nieuwe rol” en “De staat is als ordeningsinstrument aan het vervagen. Dat roept vragen op over de legitimatie van de politiek. Vooral de sociaal-democratie heeft daar last van; het geloof in de maakbaarheid van de samenleving, de raison d'être voor linkse politiek, is goeddeels verdwenen”.

Eerst iets over dat laatste. Dat vooral de PvdA last heeft van wat ik 'politieke erosie' zou willen noemen en moeite heeft met het vinden van een nieuwe rol, zul je mij niet horen ontkennen. Maar rechtvaardigt dat de uitspraken van Bolkestein dat de sociaal-democratie in ideologische verwarring verkeert en niet weet welke kant ze moet kiezen? De kant van meer vrije- marktwerking en links-liberalisme of de kant van meer overheidsbemoeienis en klassiek sociaal-democratische normen en waarden?

Wat in eerste instantie geen onzinnige constatering lijkt, is het wel. Want we zitten in een overgangsfase, zoals tweede PvdA-voorzitter Vreeman het noemt. Die kenmerkt zich - nee, moet zich kenmerken - door een intern en openbaar debat over de instrumenten waarmee je de erosie stopzet en een nieuwe rol glans geeft. Dat gaat gepaard met verkenningen. En mondt uiteindelijk uit in een richtinggevende en vertrouwenwekkende visie op maatschappelijke ontwikkelingen. Dat lijkt mij iets anders dan verwarring.

Het bewijs dat Bolkesteins stelling onjuist is, kon een paar weken geleden gevonden worden in de Volkskrant. Collega-Kamerleden schreven daarin over de wenselijke nieuwe rol van de PvdA. Van Zuylen en Van der Ploeg, door de parlementaire pers geafficheerd als links-liberalen, zeggen dat vrije-marktwerking een middel kan zijn om sociale rechtvaardigheid te dienen. Liemburg en Crone, geassocieerd met de vakbondsvleugel, menen dat een lofzang op marktwerking de PvdA misstaat: de markt hoort een dienaar te zijn van de samenleving. Wie de moeite nam beide publikaties grondig te lezen, ziet dat de tegenstellingen helemaal niet zo groot zijn. Alle vier zien de voordelen van de markt. Maar veel belangrijker: allen zien het grote belang van een andersoortige overheid.

Vleugels

Het is ook veel te simpel het debat binnen de PvdA èn de daarbij behorende dynamiek, te betitelen als een vleugelgevecht tussen behoudenden en vooruitstrevenden. Dat debat en die verkenningen zijn even logisch als noodzakelijk om een antwoord te vinden op een ontwikkeling die bedreigend is voor een grote sociaal-democratische partij, maar zeker ook voor de politiek in het algemeen. Ik vind dat de politieke erosie toeneemt. Daar heb ik een aantal redenen voor.

Ten eerste. Vleugels - zoals overigens iedere politieke beweging heeft - doen alleen iets als ze aan een lichaam vast zitten. Anders vliegt er immer niks en niemand. In dat lichaam, waar het hart en de ziel van politici - personen dus - zitten die te zamen het gezicht van een politieke partij vormen, is iedere burger nog steeds zeer geïnteresseerd, alle verhalen over een toenemende kloof tussen burgers en politiek ten spijt. Want in een periode van ontzuiling en onzekerheid shoppen burgers van het geloof in het ene politieke standpunt (hetgeen iets anders is dan het geloof in een politieke partij) naar het geloof in een ander standpunt. Ze shoppen van geloof in God naar de dokter en van de dokter naar Jomanda. En van Jomanda - wie weet - naar charismatische politici.

Ik beschouw dat als het zoeken naar houvast. Naar mijn stellige overtuiging ligt de overlevingskans van politieke partijen en politici in de kunst om bezieling te tonen. Ontreekt het de meesten van ons niet aan bezieling, zoals ook collega Rouvoet van de RPF kortgeleden in NRC Handelsblad constateerde? Of, zoals Karin Adelmund het kortgeleden omschreef: het verschil tussen een klomp ijs en stromend water is toch maar één graad? Bezieling zoals Den Uyl die toonde met zijn leus 'de kudde een beetje bij elkaar te willen houden'? Geven die paar woorden in doodgewoon Nederlands niet de essentie van onze opdracht aan?

Ten tweede. Met bezieling alleen kom je er niet. Je moet ook wat te melden heben. Een politiek 'produkt' in de aanbieding hebben, om in markttermen te spreken. Laten zien en voelen waar je voor staat om in mensentermen te spreken. Maar dat kan pas als je als politieke partij de omslag weet te maken van aanbod naar vraag. Daar bedoel ik mee dat niet alleen marktwerking 'dienaar' moet zijn van de vragen van de samenleving, maar juist ook overheid en politiek. Dat vergt meer dan een visie op evenwicht tussen overheidsbemoeienis en marktwerking. Dat vergt aansluiting bij kansen en bedreigingen van individuele burgers, aansluiting bij waar echt naar gevraagd wordt. En vervolgens anticiperen op vragen van overmorgen en beseffen dat we de meeste zaken niet (meer) als korte-termijnproblemen kunnen definiëren. En het is afstand doen van de bij sommigen levende gedachte dat politici het monopolie hebben op besluitvorming.

Want wil je de band met kiezers weer herstellen, is bezieling één. Een politiek produkt twee. Maar de (h)erkenning dat de politiek als richtinggever en besluitvormer rap aan het verhuizen is drie. Andere sectoren in de maatschappij nemen onze rol over. Zij hebben de omslag van aanbod naar vraag allang gemaakt.

De politiek erodeert. Er zijn te veel complexe vraagstukken die (nog) niet als politieke verantwoordelijkheid zijn ontdekt of herkend, ofwel als korte-termijnproblemen worden betiteld. Die verantwoordelijkheid wordt door andere sectoren meer en meer (en veel meer dan vroeger) overgenomen. De Vlaamse hoogleraar sociologie Luc Huyse analyseert dat haarscherp: bedrijfsleven, media en rechtbanken nemen beslissingen die in wezen politiek zijn, omdat zij de loop van de samenleving op bindende wijze bepalen.

Kortom: er vindt een verschuiving plaats van politieke besluitvorming, overigens mede door onze eigen schuld. Bij een onderwerp als euthanasie geven we zelf immers aan rechters de opdracht om de grenzen van de wet in beeld te brengen. Een opgave die parlementair blijkbaar te lastig is. Zo politiseer je de rechterlijke macht - de trias politica ten spijt. Ik vind dat een slechte zaak. Bij een onderwerp als het minderhedenbeleid speelden media vlak voor de statenverkiezingen meer dan de rol van boodschapper. Zij politiseerden, met alle gevolgen voor de verkiezingen van dien. Een 'corrigerend' parlementair debat na die statenverkiezingen ten spijt. Privatisering van grote ondernemingen - zeker als deze grote economische belangen vertegenwoordigen - is een vorm van politisering van het bedrijfsleven. Privatisering van delen van de gezondheidszorg politiseert de rol van bijvoorbeeld verzekeraars.

Mijn bezwaar betreft niet de verschuiving van politieke besluitvorming zelf. Wel maak ik me - evenals Luc Huyse - zorgen over het feit dat politieke besluitvorming wél verhuist, maar de democratische controle daarop niet. Die controle is buiten het parlement op zijn minst ondoorzichtig. Want hoe vindt de besluitvorming plaats bij multinationals, bedrijven of bij verzekeraars?

Trias-beraad

Het lijkt mij essentieel die ontwikkelingen te (h)erkennen en vervolgens te debatteren over wat de rol moet - of liever kan - zijn van overheid en politiek in het jaar 2000 en verder. Dat laatste was ook (mede) de reden voor mijn collegae van der Stoel (VVD), de Graaf (D66) en ondergetekende twaalf nieuwe Kamerleden bij elkaar te roepen om regelmatig van gedachten te wisselen over dat soort thema's. Bijeenkomsten bekend als Trias-beraad, die onzinnig veel stof deden opwaaien. Volstaat modernisering van het openbare politieke bestuur bij het zoeken naar een nieuwe rol voor de politiek? Redden we het met de toverwoorden deregulering en decentralisatie? Met partijvernieuwing? Met het afschaffen van de adviesfunctie van de Ser? Redden we het met een afbakening van markt- en overheidsverantwoordelijkheid, waar die ook moge liggen? Naar mijn mening niet alleen.

Voor een politieke partij zoals de PvdA betekent het zoeken naar die nieuwe rol meer ruimte voor openbaar debat over zaken die elkaar tegenspreken. Geen verkrampte discussies, dat herkennen burgers maar al te goed. Meer mogelijkheden voor individuen - verschillend in kwaliteit, deskundigheid, maatschappelijke worteling, optreden, aanleg, ambities, gaven - om zich binnen een politieke partij te ontplooien; meer mogelijkheden om met hart en ziel te staan voor een visie of een 'produkt'. Misschien moet je dat wel meer 'marktwerking' binnen een politieke beweging noemen. Dat schept uiteindelijk geen verwarring, maar creëert hoognodige verrijking.

Alleen dan kan een politieke partij zich wapenen tegen erosie, de opkomst van one-issue-partijen en het shoppen van burgers van het ene standpunt naar het andere. Omdat zo'n partij in staat is vele issues in zich te verenigen en daar samenhang in aan te brengen. Vleugels aan een lichaam met één hart.

Om verdere erosie te voorkomen moet er dan wel een integrale en vooral samenhangende visie op de werkelijke vragen en noden die leven in de maatschappij, gevormd worden en afstand worden gedaan van het korte-termijn-denken. Dat is al een klein beetje begonnen. Bijvoorbeeld met het erkennen dat er een integraal grote-stedenbeleid moet komen. Met de wens een echt zuiver minderhedendebat te voeren.

En zo zou het bijvoorbeeld ook met een integraal ouderenbeleid moeten gebeuren. Dat is meer dan alleen een discussie over de AOW. Die wordt morgen door mijn partij aangezwengeld en dat is goed. Maar het gaat ouderen - nu en straks - om meer dan de betaalbaarheid van hun AOW. Het gaat ze ook om een gevoel van ontheemding in onze maatschappij. Over hun angst dat er straks voor al hun problemen een bureaucratische mechanische oplossing wordt gezocht met tientallen regelingen en evenzovele loketten. Of ze straks nog verzorgd en verpleegd kunnen worden als dat nodig is. Of er straks nog wel genoeg geld is om - aangepast - thuis te kunnen blijven wonen. Of ze nog kunnen of mogen werken of op andere wijze kunnen participeren in de samenleving. Of ze de straat nog wel op kunnen vanwege criminaliteit en onveiligheid. Of er nog wel winkels in hun eigen buurt over blijven. Hoe straks het openbaar vervoer zo geregeld zal zijn dat ze er makkelijk gebruik van kunnen maken. Of hun diffuse angst voor de toekomst terecht is. Of het klopt dat de maatschappij ouderen voornamelijk als last ziet en of de bij sommigen onuitgesproken angst dat uiteindelijk euthanasie de oplossing voor het 'ouderenprobleem' is een basis heeft.

Als we de politiek niet willen laten vervreemden van de 'needs en demands' in de samenleving zijn bezielende samenhangende debatten nodig over het bovenstaande. Debatten waarbij de schotten tussen departementen intensief worden geslecht. Waarbij de hokjesgeest het loodje legt. Waarbij het aanbod de vraag volgt en niet andersom.

Een partij die ruimte geeft aan dat soort ontwikkelingen wint het vertrouwen van burgers, stopt politieke erosie en wint de volgende verkiezingen.

mailIcon print |