*

 
dossier

Archief

Zorg voor het milieu is voor de PvdA van levensbelang

PAUL KALMA − 04/02/97, 00:00

In Letter & Geest van 1 februari stelde Marcel ten Hooven dat sociaal-democratie slechts kan bestaan bij groei van de economie, de milieucrisis ten spijt. Een weerwoord van de directeur van de Wiardi Beckmanstichting. De auteur is directeur van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA

Op deze gang van zaken kan de Partij van de Arbeid, medeverantwoordelijk voor het huidige beleid, kritisch worden aangesproken. Marcel ten Hooven gaat in zijn uitvoerige bijdrage aan Letter & Geest van 1 februari ('PvdA gevangene van de groei') echter een heel stuk verder. Hij suggereert dat de PvdA eigenlijk niet anders kan. Doordrenkt van het geloof in materiële vooruitgang, en ingeklemd tussen de inkomens-eisen van de laagstbetaalden en van de meer welvarende middenklassen, is ze gedoemd om de economie boven het milieu te blijven stellen.

Dat is, behalve een onbedoelde steun-in-de-rug voor het huidige beleid (het kan kennelijk niet anders) een veel te simpele voorstelling van zaken. Ten Hooven denkt de afloop van de moeizame worsteling van de sociaal-democratie met de milieuproblematiek al te kennen - terwijl ze nog maar net begonnen is.

Hij geeft in zijn artikel een interessante schets van 'de twee grote ideologische crises' in de geschiedenis van de sociaal-democratie. De eerste situeert hij in de jaren twintig en dertig, toen het perspectief op een parlementaire meerderheid wegviel. Als reactie daarop vormde de SDAP zich om van klasse- tot volkspartij en omarmde ze een 'verantwoord kapitalisme'. De tweede crisis werd ingeluid toen, in de jaren zeventig, de periode van hoge economische groei ten eind liep.

De sociaal-democratie is vervolgens in een ideologische impasse beland, schrijft Ten Hooven terecht. Maar dan neemt zijn betoog een merkwaardige wending. Voor de PvdA, redeneert hij, is er maar één uitweg: groei, groei en nog eens groei - en onder leiding van premier Kok begint de sociaal-democratie dat in te zien. Verhoging van het nationaal inkomen is namelijk de enige manier om de verzorgingsstaat overeind te houden, zonder de middengroepen met een (electoraal desastreuze) lastenverzwaring op te zadelen.

Een dergelijk groeibeleid, zo vervolgt hij, heeft echter een prijs. De PvdA zal alle mooie woorden die ze in het recente verleden over het milieu heeft gesproken, weer in moeten slikken. Ecologische modernisering van de economie? Het milieu als randvoorwaarde voor groei? Een beweging die zich altijd de vergroting van de materiële welvaart ten doel heeft gesteld, kan zich dat helemaal niet permitteren. Ze is “gedwongen de 'economie van het genoeg' tot een dwaling te verklaren, de milieucrisis ten spijt.”

Was het maar zo gemakkelijk, zou ik bijna zeggen. Ten Hooven onderschat, om te beginnen, de rol die niet-materiële kwesties in het sociaal-democratisch programma spelen. Vanaf de jaren zestig is die niet-materiële factor, onder invloed van de toegenomen welvaart, zelfs steeds belangrijker geworden. Terugkeer (?) naar een beleid van ongeclausuleerde groei zou de huidige PvdA op grote interne conflicten komen te staan - zoals de huidige schermutselingen over de grote infrastructurele projecten laten zien. Het zou haar ook veel stemmen kosten.

Maar zelfs al zou de PvdA een hard groei-beleid gaan voeren, dan loopt dat streven onvermijdelijk in zijn eigen tegenspraken vast. De milieuproblematiek bedreigt niet alleen de kwaliteit van het bestaan, maar tast de grondslagen van de economie zelf aan. Een verdere verwaarlozing van de 'productiefactor' natuur zal ons sociaal-kapitalistisch systeem duur te staan komen, alleen al vanwege de kosten die verbonden zijn aan het bestrijden van milieurampen, het zuiveren van lucht, grond en water, en het vervangen (zo al mogelijk) van in hoog tempo verbruikte grondstoffen.

Dat geldt nog sterker als we de internationale dimensie van het milieuvraagstuk erbij betrekken. Terwijl de Westerse landen, na een snelle economische ontwikkeling, van een vergaande welvaart genieten, moeten veel andere landen in de wereld nog aan die ontwikkeling beginnen. Het is onwaarschijnlijk dat zij daarbij een andere, minder milieuvervuilende en grondstoffen-verslindende weg zullen inslaan dan het Westen. “Wat dat betreft getuigt een relativering van de tegenstelling tussen industrie en natuur, tussen economische groei en milieubescherming, van een zeker Euro-centrisme.”

Deze laatste zin is afkomstig uit mijn eigen pamflet uit 1987, Het socialisme op sterk water. Ten Hooven interpreteert dat geschrift, geheel ten onrechte, als een proeve van biefstuksocialisme en haalt daartoe zinsneden als de volgende aan: “De sociaal-democratie bestrijdt specifieke vormen van vervuiling maar accepteert de onvermijdelijk negatieve gevolgen die een grootschalige, industriele produktiewijze voor het milieu heeft”. Het citaat klopt, maar Ten Hooven haalt twee dingen door elkaar.

Aan de ene kant dient de sociaal-democratie de milieuproblematiek hoogst ernstig te nemen. Ik zou het nu nog wat scherper formuleren, maar liet er in 1987 al geen misverstand over bestaan. De milieuproblemen “knagen aan de welvaart en overschrijden vaak de baten van verdere economische groei. () Schade aan het milieu raakt bovendien de morele kern van het sociaal-democratisch project, waar het bescherming wil bieden aan wat door het kapitalisme als 'irrelevant' wordt beschouwd, en daarom kwetsbaar is. Als dat van toepassing is op onze medemensen, waarom dan niet op de ons omringende natuur?”

Aan de andere kant, zo betoogde ik in 1987, moet de sociaal-democratie zich verre houden van een 'groene utopie'. Dromen over een maatschappij zonder vervuiling, zonder technologische risico's: het leidt tot irreële verwachtingen en tot een vlucht voor de pijnlijke afwegingen waartoe de ecologische kwestie ons dwingt. Vandaar: “De sociaal-democratie bestrijdt specifieke vormen van vervuiling, maar accepteert de onvermijdelijk negatieve gevolgen die een grootschalige, industriële productiewijze voor het milieu in het algemeen heeft. Ze wenst bepaalde, onaanvaardbare risico's terug te dringen, maar beseft tegelijkertijd dat de kans op ernstige ongelukken in een door geavanceerde techniek gekenmerkt productiestelsel niet geheel is uitgesloten, en dat we met die kans zo goed mogelijk moeten leren leven.”

Dat gaat wat mij betreft nog steeds op, inclusief de consequentie die ik er in 1987, bij wijze van voorbeeld, aan verbond. De opmars van de kernenergie, die de sociaal-democratie indertijd van harte toejuichte, was een gevaarlijke ontwikkeling die gelukkig in een groot deel van de Westerse wereld tot stilstand is gebracht. Die gevaren zijn nog altijd niet onder controle. Maar de opvatting (vanaf de jaren zeventig ook die van de PvdA) dat elk verder onderzoek naar de toepassing van kernenergie gestaakt moet worden, is kortzichtig - alsof een bepaalde techniek voor altijd verdoemd zou zijn.

Recht doen aan de milieuproblematiek, zonder de industriële samenleving vaarwel te zeggen, blijft bij dat alles een erg moeilijke opgave. Een stringent milieubeleid heeft economische en sociale consequenties die, zeker in de 'natuurlijke' achterban van de sociaal-democratie, als pijnlijk zullen worden ervaren - en die toch verdedigd moeten worden.

Of de sociaal-democratie tegen die taak opgewassen zal zijn, is een open vraag. Gerust op de goede afloop kunnen we niet zijn, gezien de huidige aanzetten tot een 'ingenieurssocialisme zonder socialisme' (Piet de Rooy), met z'n voorliefde voor asfalt en aanvliegroutes en z'n fixatie op 'Nederland Doorvoerland'. Maar dat is heel wat anders dan te suggereren, zoals Ten Hooven doet, dat het wel slecht af moet lopen. Alsof, bijvoorbeeld, een tweede nationale luchthaven eigenlijk al in het eerste programma van de SDAP verborgen zat.

Zo'n deterministische visie roept bovendien de vraag op, hoe het dan met de andere partijen zit. Is de christen-democratie evenzeer als de sociaal-democratie een 'gevangene van de groei'? Zo ja, waarom dan alleen de PvdA aangesproken? Zo nee, hoe dan te verklaren dat het CDA op dit moment zo'n slap milieuprogramma heeft? En dan hebben we het nog niet over de liberalen van de VVD (van Bolkestein tot Winsemius) en de vrijzinnig-democraten van D66.

Kunnen politieke partijen, zo luidt de vraag die Ten Hooven eigenlijk op tafel legt, veranderen? Mijn antwoord luidt: minder dan ze zelf altijd denken - maar meer dan Ten Hooven in zijn artikel suggereert.

mailIcon print |