Een beter milieu begint bij jezelf. Maar je kunt ook in het buitenland iets aan het milieu doen, en daar zelf beter van te worden. De overeenkomst die minister De Boer eergisteren sloot met Roemenië is daar een voorbeeld van.
Twee energiebesparingsprojectjes. Allebei in Roemenië. In de stad Targu Mures, om precies te zijn. Een relatie met het Nederlandse milieubeleid lijkt ver te zoeken. Toch zijn die relaties er. Allereerst omdat Nederland de kosten betaalt voor de projectjes, die beogen dat er bij de bereiding van drinkwater en de verwerking van afvalwater minder energie wordt verbruikt.
En ten tweede omdat Nederland waarschijnlijk van de projectjes profiteert. Als ze slagen en de uitstoot van broeikasgassen afneemt, mag Nederland een deel van die afname op zijn conto schrijven. Nederland hoeft dan in eigen land de uitstoot van broeikasgassen iets minder terug te dringen, omdat het dat al een beetje in Roemenië doet. Het principe waarbij het ene land (Nederland) milieumaatregelen betaalt in een ander land (Roemenië), en vanwege die financiering een deel van de milieuwinst mag claimen, staat in jargon bekend als joint implementation. Op de Wereldklimaatconferentie die in december in Kyoto werd gehouden, is lang over dit principe gepraat. Rijke landen zijn er een groot voorstander van. Armere landen kampen vaak met oude, vervuilende industrie. Het is relatief gemakkelijk om de vervuiling daar fors terug te dringen. En het levert veel milieuwinst op. In het Westen, met zijn moderne, energiezuinige industrie, is dat veel moeilijker en duurder. Bovendien leveren maatregelen relatief weinig milieuwinst op, omdat de installaties al redelijk schoon en zuinig draaien.
Arme landen zijn veel minder geporteerd van joint implementation. Zij vinden dat het energieslurpende westen de belangrijkste veroorzaker is van de versterking van het broeikaseffect, en daar dus binnen de eigen grenzen wat aan moet doen. En snel. Het Westen mag zijn problemen niet elders afkopen, stelden de arme landen in Kyoto. Zij wezen er verder dat het Westen op die manier goedkoop op de eerste rang zit. De rijke landen pakken vooral die problemen aan die veel effect hebben en weinig kosten. Voor de arme landen zelf resteren dan in de toekomst de dure projecten.
Na lange discussies kregen de arme landen grotendeels hun zin: joint implementation mag in principe vanaf het jaar 2000, maar alleen als het om industrielanden gaat. Wat in de praktijk zal betekenen dat Westerse landen het in principe gaan toepassen in Oost-Europa met zijn inefficiënte en vaak smerige industrie.
Het principe van joint implementation mag goedgekeurd zijn, over de uitwerking ervan moet, zoals dat heet, nog internationaal overleg worden gepleegd. Daarbij gaat het om vragen als: welke projecten komen in aanmerking, en hoeveel milieuwinst mag het rijke land claimen.
Met de overeenkomst die met Roemenië is gesloten, loopt Nederland overigens maar een beetje op die discussies vooruit. Want de twee projectjes moeten eerst nog worden onderworpen aan een studie. Daaruit moet onder meer blijken of zij aan alle voorwaarden voldoen. Pas dan krijgen ze het officiële stempel: door Vrom goedgekeurd.
Het project in Roemenië is niet het eerste dat in de sfeer van joint implementation is getrokken. Twee projecten van de Face Foundation, een stichting die is opgericht door de Samenwerkende Elektriciteitsproductiebedrijven (Sep), hebben al het officiële stempel 'goedgekeurd' gekregen. Het gaat om de aanleg van bossen (die nemen het broeikasgas kooldioxide tijdelijk op) in Tsjechië en Oeganda. De Sep liep en loopt met die projecten wèl vooruit op de discussies.
De koepel van de vier Nederlandse stroomproducenten ging er - toen zij een paar jaar geleden met de projecten begon- vanuit dat er voor elk land doelstellingen zouden komen voor de beperking van de uitstoot van broeikasgassen. In Kyoto zijn die doelstellingen inderdaad geformuleerd. De Sep verwachtte vervolgens dat Nederland doelstellingen zou opleggen aan de eigen industrie.
Dat is nog niet gebeurd. Maar als dat gebeurt, kan de Sep de bosbouwprojecten in Tsjechië en Oeganda opvoeren, en hoeft het ìn Nederland de uitstoot van broeikasgassen wat minder te beperken. Hoewel, Oeganda? De Klimaatconfententie heeft Sep goed en slecht nieuws gebracht: het project in Tsjechië kan door de beugel, maar Oeganda is geen industrieland. Vooralsnog is dat herbebossingsproject dus te beschouwen als ontwikkelingshulp, op kosten van de Nederlandse stroomverbruikers. Die betalen er jaarlijks ongeveer een kwartje voor.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.