GENT - Museumdirecteuren kunnen zich een slechter afscheidscadeau wensen. Robert Hoozee, directeur van het Museum voor Schone Kunsten in Gent, verruilt zijn werkplek voor de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Antwerpen met een opgeruimd gemoed. De expositie 'Paris-Bruxelles/Brussel-Parijs' behoort tot de betere exposities die onder zijn twee decennia lang durende directoraat zijn gehouden. In Antwerpen, waar Hoozee een door en door versteende organisatie aantreft, zal hij aanmerkelijk meer activiteiten moeten ondernemen om nog eens zo'n aardige tentoonstelling te kunnen maken.
De titel van de expositie maakt duidelijk waar het om gaat en toch is de naam enigszins misleidend. Want in de periode tussen 1848 en 1914 was het Parijs dat de trends in de kunsten dicteerde. Met één enkele uitzondering, die van de Art Nouveau tijdens de laatste tien jaar van de vorige eeuw, toen Brussel even de culturele hoofdstad van Europa was. En juist over die periode word je op de expositie in Gent niet zo heel veel gewaar.
Dat Parijs internationaal gezien een enorme uitstraling had, is te zien aan de vele kunstenaars die België voor korte of lange tijd verruilden voor de Franse hoofdstad. De realistische schilder Albert Stevens (1823-1906) was in Parijs het kloppende hart van de Belgische schilderskolonie. Hij trok als twintiger naar Parijs en is er, op enkele uitzonderingen na, nooit meer weg geweest. Stevens heeft nog les van Ingres gehad, voordat hij er onder invloed van Courbet raakte. Courbet op zijn beurt bewerkte, samen met Manet, de Belgische markt en zond zijn werk in voor de Salon van Brussel. De Franse realisten stonden bij hun noorderburen in een goed blaadje. Een lange rij van Belgische volgelingen heeft het tot gevolg gehad.
Een nu vergeten schilder als Charles De Groux schokte de Brusselse goegemeente in 1857 door op de Salon een schilderij in te sturen met een voorstelling van een groep arme schobbejakken. Ook in Frankrijk had het publiek het moeilijk met schilderijen waarop 'de gewone man' was afgebeeld, maar in België was de schilderkunst al helemaal bezit van de bourgeoisie. Om die reden schopten Félicien Rops en James Ensor ook graag tegen deze klasse; Rops die een wufte naakte dame een varken als schoothondje aan de lijn liet houden, Ensor die de burgerij van varkensmaskers voorzag. De bourgeoisie werkte in België verlammend op het kunstklimaat, wat waarschijnlijk een van de redenen was dat zo veel schilders naar Frankrijk togen.
Ook de impressionisten kon het Belgische publiek in een vroege fase van hun ontwikkeling bewonderen. Manet liet al in 1869 zijn beroemde schilderij 'Het balkon' op de Salon van Brussel zien. De Franse impressionisten exposeerden in de jaren '80 regelmatig in Brussel, waardoor ze hun Belgische collega's op het spoor van de nieuwe schilderkunst zetten. Bekende Belgen die aan het impressionisme hebben meegedaan, zijn Emile Claus, James Ensor en Théo van Rysselberghe. De laatste werd ook een enthousiast aanhanger van het neo- of postimpressionisme dat door Seurat vanuit Parijs werd geëxporteerd.
Vrijwel gelijkertijd - zo wordt op de tentoonstelling gesteld - bleken Belgische schilders vatbaar voor het Franse symbolisme te zijn. Er loopt een rechtstreekse lijn van Odilon Redon naar de symbolistische De Groux en Ensor, maar ook naar Rops en Xavier Mellery. Het is echter de vraag of dat zo is. De Vlaamse schilders hebben in alle eeuwen belangstelling voor het fantastische en surreële gehad. Veel meer dan de Fransen: Dieric Bouts, Jeroen Bosch, maar ook de Brueghels en later Magritte, Spilliaert, Hynckes en Delvaux overtreffen in omvang en kwaliteit hun Franse evenknieën.
Een heel enkele keer was er een Franse kunstenaar die eerder in België dan in zijn eigen land erkenning vond. De voor zijn tijd zeer vooruitstrevende beeldhouwer Auguste Rodin exposeerde bij de Brusselse kunstenaarsgroep Les Vingts voor het eerst zijn moderne figuurstukken. Hij kreeg er een warm onthaal, en ervoer veel navolging. George Minne, die diep onder de indruk van Rodin was, poogde evenwel binnen de nauwe grenzen van de symbolistische beeldhouwkunst een eigen weg te vinden. Minne koos net als Rodin voor de zich herhalende vorm, maar bereikte uiteindelijk een meer sobere, expressieve stijl.
Meer nog dan de Belgische schilderkunst, die pas in de jaren twintig van deze eeuw een eigen identiteit zou krijgen, stond de beeldhouwkunst op hoog niveau. Naast Minne was er ook nog eens een beeldhouwer als Constant Meunier. Anders dan Rodin, die de beste menselijke eigenschappen letterlijk op een sokkel zette (en ze daarmee ook verheerlijkte), koos Meunier voor de rauwe dagelijkse werkelijkheid. Ook hij plaatste de mens centraal, maar zijn figuren zijn doorleefde arbeiders, die zo uit de mijn of van de fabriekswerkvloer zijn weggeplukt. In de laatste jaren van de vorige eeuw was er voor Meunier internationaal al zoveel belangstelling, dat hij een expositie in Parijs kon krijgen.
In diezelfde tijd begonnen de Fransen ook van de Belgische Art Nouveau te houden. Bouwmeester Victor Horta werd er geroemd, wat onder meer tot gevolg had dat Paul Signac graag een schilderij wilde schenken aan het Volkshuis van de Belgische Werkliedenpartij. Het gedrag van Horta voorkwam overigens deze gift.
Er is geen terrein of er is wel sprake van een wisselwerking tussen Parijs en Brussel. Niet alleen in de beeldende kunst werd er over en weer veel gereisd en bezocht men elkaar veelvuldig, ook in de literatuur en de muziek was er sprake van vriendschappen en beïnvloeding. Dat leidde, omdat er over en weer sprake van vooruitstrevende ideeën was, tot een immense verrijking van het culturele klimaat. Eén keer ging het echter mis. Koning Leopold II, die weinig ophad met de Art Nouveau, bood Parijse architecten tal van opdrachten. De Belgische vorst vond dat Brussel de hoofdstad van Europa moest worden, die met Parijs qua schoonheid kon wedijveren. De koning had echter een conservatieve smaak, wat er toe leidde dat hij een Franse architect van hopeloze neo-stijlen aantrok. Brussel, Laken en Oostende werden op die wijze opgescheept met gebouwen die een megalomane allure uitstraalden.
Zo heeft de culturele uitwisseling tussen de beide steden niet altijd in het voordeel van Brussel uitgepakt. Toch kan gesteld worden dat de Franse beeldende kunst haar Belgische zusje goed van pas is gekomen. Zo kort na de onafhankelijkheid van de Belgische staat had de kunst er allerminst een eigen identiteit. Door zich te richten op wat er internationaal aan de orde was (en het Parijse kunstklimaat stond destijds voor 'internationaal') was ze in staat om er eigen accenten aan toe te voegen. Een provinciaals karakter hebben in België alleen de werken van salonfühige schilders gehad. Die werken zijn echter voorgoed verdwenen uit de Belgische musea.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.