*

 
dossier

Archief

Nationaal Jeugd Orkest werd vooral een keurig ensemble

FRANZ STRAATMAN − 14/01/98, 00:00

AMSTERDAM - Een boek van het Nationaal Jeugdorkest; het lag voor de hand nu deze instelling veertig jaar bestaat. Ieder lustrum werd, zo blijkt uit de geschiedschrijving, weliswaar gevierd met een bijzondere concertreeks of een opdrachtwerk, maar aan het ordenen van zijn verleden kwam het NJO nooit toe.

Met precisie werkte Johan Giskes zich door de stapels documentatie over dit duistere stukje muziekhistorie heen. Hij, zowel musicus als historicus, ontpopt zich sinds 1988, toen hij een belangrijk aandeel had in het vastleggen van een eeuw Concertgebouw & -orkest, als kroniekschrijver van de Nederlandse symfonische historie. Hij noteerde dan ook stipt dat van het Nationaal Jeugdorkest sinds 1958, toen Philips een eepeetje uitbracht van het één jaar jonge ensemble, drie elpees (in 1964, 1981 en 1987) werden gemaakt en vier cd's (1991, 1994, 1995 en 1996).

Alhoewel er de laatste jaren veel boeken over muziek verschenen met een cd in de kaft gemonteerd, laat het NJO de kans voorbijgaan om met klankdocumenten de opmerkelijke ontwikkeling van een zuiver amateur-orkest naar een pre-professioneel ensemble te illustreren.

Hoe hoog het niveau bij het achtste lustrum is, liet het orkest onder meer enkele dagen geleden in het Amsterdams Concertgebouw horen met de uitvoering van de eerste symfonie van Gustav Mahler onder leiding van de Zwitserse dirigent Thierry Fischer. Veertig jaar geleden verzuchtte de directeur van de vereniging Jeugd en Muziek, Max Vredenburg, tevens een van de initiatiefnemers tot oprichting van het NJO, bij het aanhoren van het orkest van de Juilliard School uit New York “dat dit ensemble wel het juniorenorkest van bijvoorbeeld het Philadelphia Orkest had kunnen zijn'. Afgelopen zaterdagavond demonstreerde het huidige NJO waardig te zijn om het 'juniorenorkest van bijvoorbeeld het Concertgebouworkest' te worden genoemd. Sterker nog: heel wat van de huidige leden van dat ensemble deden orkestervaring op in het NJO, zo blijkt uit onderschriften bij de talloze foto's.

Maar ook de andere orkesten profiteerden van de professioneel georganiseerde opstap naar de muzikale beroepspraktijk. Die doelstelling ging pas de boventoon voeren nadat het NJO in 1984 in een zelfstandige stichting werd ondergebracht, los van de vereniging Jeugd en Muziek (die overigens op wens van de rijksoverheid de nek werd omgedraaid). Jeugd en Muziek (in veel buitenlanden Jeunesses Musicales geheten en bloeiend van activiteit) werd na 1945 opgericht om de (school)jeugd in kennis te brengen met muziek en de actieve beoefening op amateurniveau te bevorderen. De wens om een nationaal orkest als top van regionale ensembles te vormen, kon werkelijkheid worden toen het Brits Jeugdorkest in 1955 in Amsterdam een overweldigende indruk maakte en de rijke, muziekliefhebbende industrieel Bernard van Leer de financiering regelde.

Dan begint het avontuur dat Giskes tot leesbare omvang heeft samengevat: veel speelplezier en 'vrolijk samenzijn' tijdens repetitie-kampen, concerten met 'Oudnederlandse dansen' (Julius Röntgen), het eerste deel van Beethovens derde pianoconcert, en andere hapklare brokken om jeugdig publiek tot de klassieke muziek te brengen. De eigen tijd werd niet geschuwd: het NJO versierde het tweede-lustrum met een compositie van Otto Ketting voor orkest en jazz-groep (Willem Breuker) en werkte in 1970 samen met de popgroep Ekseption in Beethovens verpopte Vijfde.

Toch werd het NJO niet het orkest van de vernieuwing tijdens de rumoerige jaren rond 1970, want de musicerende jeugd koos blijkens een enquête in 1970 voor het echte, grote symfonische werk, waarbij de eerste Mahler. Toen al! Met de uitvoering van die symfonie nu (nadat in 1984 Mahler voor het eerst op de programma's prijkte met de Zesde, en het zesde lustrum met de Vijfde werd opgetooid) bewees het NJO dat het vooral een keurig orkest is geworden, waarin de beroepssfeer samengaat met jeugdig elan. Reden voor de huidige directeur Arthur van Dijk om het NJO als 'het leukste orkest van Nederland' te omschrijven. Zijn uitspraak werd de titel van het herdenkingsboek (uitgave Ambo, 176 blz.), vol 'weet-je-nog-wel-oudje' verhalen, maar ook een interessant tijdsdocument over jeugd en muziek.

mailIcon print |