*

 
dossier

Archief

Smeets

Mart Smeets − 20/03/99, 00:00

Het gebeurde in Rijnsburg, in de meest Hollandse sporthal die een mens kan bedenken. Ik meen dat het ding Waterland of zoiets heette. Vreselijk in ieder geval, een erfenis van hoe 'we' in de jaren zeventig over sport dachten.

Er wordt een basketbalwedstrijd gespeeld tussen Blitz, een ploeg uit de hoogste onderbond van Nederland en Sterling College, een volkomen onbetekenende ploeg uit de staat Kansas. Amerikanen dus.

Er zijn zestien toeschouwers, de zaalverlichting is bedroe vend, er is geen uitloop onder de borden, er is geen scorebord en geen tijdmechanisme. De twee Hollandse scheidsrechters lopen in hun vrijetijdskleding, dat wil zeggen, een van de mannen heeft een vaal, bruinig zwembroekje aan en blaast zijn fouten met de vernietigende kracht van een bos brandnetels.

Het is dinsdagavond en in het aanpalende café kijken hangers op barkrukken naar MVV-Ajax via het Kees-Kanaal.

Binnen, in het zaaltje, worden de Amerikaanse plattelands-jongens weggelopen, weggespeeld en weggefloten door de basketballende trots van Nederland.

Ik ben gaan kijken omdat de coach van de jonge Amerikanen een oude bekende van me is: Jimmy Woudstra, de beste en meest complete speler die Nederland ooit rijk was. Hij speelde voor Punch en Leiden en vooral voor het Nederlands team en verliet op een gegeven moment ons land om weer in Amerika aan de slag te gaan.

Een Godgelovige jongen die op een heel speciale manier over waarden in het leven dacht. Een mens kon best een goede sportman zijn en topscorer worden of een goede rebounder, maar het ging er Woudstra primair om een 'goed mens' te zijn.

En die vent, geen streep veranderd, was terug in zijn oude vaderland. Hij sprak onze taal nog en hij stimuleerde zijn jonge en onervaren spelers op aandoenlijke wijze. Hij coachte met vuur en liet al zijn spelers opdraven. Zijn jongens hadden per man 535 dollar betaald om voor het eerst in hun leven een ander land dan de USA te zien. Om met hun coach in drie busjes door Nederland te trekken en pannenkoeken te eten en kastelen te bezoeken.

Na afloop van de wedstrijd, terwijl de zaalvoetballers direct bezit namen van het plankier en niemand naar de uitslag vroeg, zag ik wat basketbal in Nederland geworden was. Ten eerste was er helemaal niemand van de bond, er was geen oud-speler uit de tijd van Woudstra, er was geen mens om de Amerikanen vooraf prettig te ontvangen, er was niemand die de gasten na afloop ontving en zo maakte ik het mee dat de mannen van Sterling College hun eigen bordje patat moesten betalen, hun eigen drankje moesten bestellen en hun eigen plan moesten trekken.

Ik kreeg een verschrikkelijke aanval van plaatsvervangende schaamte en bood iets aan. Het kwaad was al geschied. Van de gastploeg was nog één speler over, iedereen was meteen naar huis gegaan, de bestuurslieden voorop.

Daar stond ik dan met een oude vriend. We verheerlijkten het verleden en waren enthousiast over onze kinderen. Jimmy schonk me een klok met opschrift: Sterling College. Ik keek om me heen. Er was helemaal niemand meer van de Nederlandse basketbal-scene.

Zo ging men hier om met helden van weleer. Het was heel, heel erg om mee te maken. Ik kon wel janken.

mailIcon print |