Van een onzer verslaggeefsters AMSTERDAM - “Uiteraard wil ik graag met Nico ter Linden gaan praten, maar het leek me niet fair om dat voor dit debat te doen, want. . . dan kan ik mijn gram niet kwijt”, kwinkslagt rabbijn David Lilienthal. Discussieleider Dick Pruiksma, jolig: “Wij zijn hier dus de therapeuten.”
Het veelkoppige, beleefde publiek in de propvolle Rode Hoed aan de Keizersgracht in Amsterdam vindt het allemaal best, dit vrolijke zondevalletje, zo goed als het uur zware beschuldigingen van joodse en diepe knievallen aan christelijke zijde dat er aan voorafging.
De zaak Lilienthal versus de dominee/verteller eindigt gemoedelijk. Nico ter Linden wordt bij verstek voorwaardelijk veroordeeld. Hij moet van het algemeen gevoelen de volgende delen van zijn hervertelling van bijbelse verhalen voorzien van een heldere inleiding. En hij moet zich onthouden van 'jezuologie' in de lezing van het Oude Testament.
Hoe begon het? Rabbijn Lilienthal, zo legt deze de nieuwsgierigen in de Rode Hoed uit, werd door 'een jezuiet' opmerkzaam gemaakt op het goed verkopende boek 'Het verhaal gaat'. De rabbijn las het en werd al lezend langzaam kwaad. 'De jezuïet' en bevriende theologen zeiden tot hem: schrijf het maar eens op, leg uit waarom je je zo kwaad maakt. En toen Lilienthal zijn tekst een paar weken had laten rijpen, zeiden diezelfde theologen: Stuur het naar de krant! En zo begon de zaak, waarin Nico ter Linden niet in het openbaar wilde verschijnen.
Het openingspleidooi van Lilienthal, gisteren, was indrukwekkend. Zijn ergernis over de 'steeds uitvoerigere en steeds explicietere' verwijzingen naar het Nieuwe Testament in het boek van Ter Linden, dat toch zo duidelijk zegt 'de joodse thora' te willen navertellen, wordt er begrijpelijker van. Zo ook de woede over een zin, waarin 'de bezetting' plotsklaps opduikt als een ervaring waarin de mens heeft geleerd dat hij beter om kan komen dan 'afhankelijk te worden van een andere Führer dan de God van Israël'.
“Ik wil geenszins beweren dat Ter Linden een anti-semiet zou zijn. En toch wordt mij in zijn bewerking mijn bestaan en mijn bestaansrecht ontzegd”. De 'joodse thora' vindt toch weer, als in de 18 eeuwen Christendom die aan Ter Linden vooraf gingen, zijn 'voltooiing” in de komst van Jezus, de Gezalfde van de Christenen. Dat mag, maar dan moet je je christelijke positie in een inleiding duidelijk maken en de oer-tekst van jouw commentaar gescheiden houden. Aldus Lilienthal.
De orthodox-joodse Bertina Sanders had aan dit betoog van de liberaal-joodse rabbijn weinig toe te voegen. De bijbelse theoloog Karel Deurloo, één van de leermeesters van Nico ter Linden, probeerde een lans voor de laatste te breken: “Je kunt niet zeggen dat het allemaal uitloopt op de komst van Jezus. Zo is het boek niet gepresenteerd.” Slechts één uitgebreide verwijzing naar de Hebreeënbrief bij ter Linden gaat ook Deurloo te ver. In het algemeen vindt de bijbelwetenschapper, tot genoegen van de zaal: “Het Oude Testament kan zonder het Nieuwe, het Nieuwe kan niet onder het Oude.” Hij kreeg hiervoor applaus.
De Kamper docent Simon Schoon, hoogleraar in de joods-christelijke betrekkingen, beantwoordde de hoofdvraag van het debat aldus: “Lezen joden en christenen dezelfde bijbel? Mijn antwoord is meer nee dan ja. We lezen de boeken door een andere bril.” En christenen moeten nog steeds een beetje leren voorzichtig met 'andermans post' om te gaan, want de thora is gericht tot de joden. “Het is toch onfatsoenlijk een liefdesbrief te lezen die aan een ander is gericht en hem dan ook nog af te pakken?”, citeerde Schoon rabbijn Tzvi Marx met instemming.
Kan Lilienthal Nico ter Linden niet helpen het voortaan beter te doen, vraagt iemand. De rabbijn lacht. “Hij kan het zelf ook best. Hij was enthousiast, vertelt fantastisch. Dan vergaloppeert een mens zich. De volgende keer kan hij het zelf.” Voorzitter Pruiksma, lichtelijk verbijsterd: “Het anti-joodse verhaal gaat weer. . .?”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.