*

 
dossier

Archief

Van christen een christelijke en van jood een joodse kijk

GERRIT NOORDZIJ − 05/02/97, 00:00

De auteur is essayist.

De westerse christenheid is voor het oude Testament al in de oudheid op een Hebreeuwse grondtekst overgestapt, maar met behoud van de aloude indeling uit de Septuagint. Die Hebreeuwse canon was nog niet afgesloten toen het nieuwe Testament gestalte kreeg. Het nieuwe Testament is ouder dan de uiteindelijke redactie van ons oude Testament, maar voor de titel maakt dat niets uit. Dieren en boeken krijgen hun naam nog steeds volgens de grillige procedure van Genesis:2, ook al past de naam tor beter bij een varken dan bij een kevertje.

Om staande te houden dat het jodendom niet op het christendom, maar het christendom wel op het jodendom aangewezen is, rekken enkele schrijvers het begrip 'joods' op tot het de Israëlische literatuur van voor de Babylonische ballingschap en dus ook het oude Testament omvat. Tegelijk wordt het versmald tot het rabbijnse jodendom. Deze kunstgreep stelt elke bijbelse parafrase onder rabbinaal toezicht (wat een dominee uit de Schrift haalt is eigenlijk diefstal), maar het rabbijnse jodendom krijgt zo wel een sympathie opgedrongen die de joodse Talmoed negeert.

Joods in de ruimste betekenis van het woord is de cultuur die uit de Babylonische ballingschap voortgekomen is. In het oude Testament dragen alleen late teksten als Ester en Ezra/Nehemia een joods stempel. De aartsvaders Abraham, Izak en Jakob hoefden nog geen joodse moeder te hebben om deel te hebben aan het verbond.

Anders dan het Israëlitische oude Testament is het nieuwe Testament wel een joods boek, dat helemaal door joden over joden voor joden geschreven, maar om het te lezen hoeft niemand eerst een joods of een christelijk getuigschrift te halen. Dit geldt trouwens ook voor het oude Testament. De vergissingen van de dominee hoeven die van de rabbijn niet per se te overtreffen.

De verwoesting van Jeruzalem dwong de joodse gemeenschap tot een nieuwe bezinning op de wet en de profeten. Het huidige spraakgebruik reserveert het woord joods voor het rabbijnse jodendom, dat tegelijk met het christendom uit dezelfde bezinning voortgekomen is. Het nieuwe Testament vertolkt het prille christendom en de Talmoed het rabbijnse jodendom. Ten aanzien van het gemeenschappelijke oude Testament kan het jodendom net zo min als de christenheid bijzondere rechten doen gelden.

Franz Rozenzweig maakt in Stern der Erlösung (tweede deel, eerste boek) terloops een vergelijking die zowel het nieuwe Testament als de Talmoed recht doet: “De Talmoed en het nieuwe Testament vinden beide hun goddelijke inspiratie in het 'oude Testament', de Talmoed met de aanspraak op logische gevolgtrekking, het nieuwe Testament met de aanspraak op integrale historische vervulling.” Voor deze grote rabbijn is het uitzicht dat het nieuwe Testament op het oude Testament biedt, even legitiem als zijn eigen visie op het oude Testament die door de Talmoed gevormd is. Rozenzweig verwacht van de christen een christelijke en van de jood een joodse kijk op het oude Testament: “De objectiviteit vraagt weliswaar van ons de hele horizon in het oog te houden, maar niet dat wij dat vanuit een ander standpunt doen dan ons eigen standpunt of vanuit helemaal geen standpunt. Onze eigen ogen zijn slechts onze eigen ogen, maar het zou kortzichtig zijn als wij ze uit zouden steken om beter te kunnen zien.” (Brief van 2 juni 1927.)

Volgens dit oordeel hoeft Nico ter Linden zijn gezichtspunt niet nader te verantwoorden.

mailIcon print |