*

 
dossier

Archief

Utrecht, 2 januari

PIETER SIERKSMA − 02/01/98, 00:00

De macht van het getal is altijd weer sterker dan je denkt. In je hart weet je wel dat het verschil tussen 31 december 1997 en 1 januari 1998 niet groter is dan dat tussen 1 en 2 januari 1998. Maar het verstand wil anders. Dat zoekt ordening en zet 31 december wezenlijk in een ander tijdvak da de tweede januari. Nu weet ik wel, bij God zijn duizend jaren als één dag en kan een dag dus ook verschrikkelijk lang duren. Ik zal me er niet tegen verzetten. Het klopt gewoon, zeker wanneer je de dagen op een heel leven of een hele geschiedenis de revue laat passeren. Het is ook een prachtig beeld; het relativeert de tijd, dus onze tijd.

Maar enkel relativeren is niet prettig. Stel je toch voor dat alle dagen ongeteld bleven, werd dan niet alles grauw? In romans lees je dat vaak. Alle dagen leken op elkaar, ze verstreken en er gebeurde niets, staat er dan. Ik kan daar niet goed tegen. Ik wil helemaal niet dat de tijd zomaar verstrijkt. Ik wil weten wat er gebeurt en waar en wanneer. Dat is ook het mooie van dagboeken en brieven. Daar luistert het heel nauw, die dagtelling. Het plezier zit 'm dan ook vooral in die cursief gedrukte opschriftjes waarin alleen datum en plaats vermeld worden. Of het nu een schrijver uit 1798 of 1898 is, of een dag in januari of december, het maakt niet uit. Het gaat erom dat je op de dag dat je zo'n passage leest, precies weet: dat is vandaag alweer zoveel jaar geleden en terwijl ik in de trein naar Amsterdam zit, liep hij naar Diemen. Ik wilde dat ik erbij geweest was. Neem Nescio. 1952. “3 januari. Donderdagochtend. Lente, maar wat koud. Zon, geheel blauwe lucht maar nevelige verte. De bus en de auto's die ons tegemoetkwamen uit Diemen leken uit de verte daar boven bij de Hartveldsche brug op een berg te rijden, alles in 't goud en met schitteringen.”

Kijk, zo wil ik wel het nieuwe jaar ingaan. Met elke dag een ander loopje.

mailIcon print |