*

 
dossier

Archief

CDA kan niet op tegen stijl Kok

HANS GOSLINGA − 12/09/98, 00:00

In het kamerdebat over de regeringsverklaring van Kok II deed CDA-fractieleider De Hoop Scheffer iets gewaagds. Hij stelde hardop de vraag of de rol van de christen-democraten in de Nederlandse politiek is uitgespeeld. Voor hem had die vraag, uiteraard, een retorisch karakter, maar je loopt toch het risico een ongewenste geest uit de fles te roepen.

Het was, hoe dan ook, een bijzonder moment. Tien of zelfs vijf jaar geleden, toen de hoogtijdagen onder Lubbers nog niet voorbij waren, was het ondenkbaar geweest dat een CDA-politicus zelfs maar aan zo'n exercitie had gedacht. In plaats daarvan waste bij het tienjarig bestaan, in 1990, de erevoorzitter van de partij, de blijmoedige Piet Steenkamp, iedereen de oren die de politieke bundeling van katholieken en protestanten met scepsis had bejegend. Toch is er voor de christen-democratie wél reden de vraag die De Hoop Scheffer opwierp onder ogen te zien, want de afkalving van het electoraat is niet gestopt, zoals bij de Kamerverkiezingen in mei is gebleken - en dat is nog maar één reden.

De Hoop Scheffer noemde het 'slordige sociologie van de koude grond' te veronderstellen dat het CDA met zijn visie en cultuur in de moderne samenleving geen wortels en geen toekomst zou hebben. Het was voor een politieke leider vreemd geweest als hij wat anders had gezegd, maar dat neemt niet weg dat zijn woorden meer als een bezwering dan als een overtuiging klonken. De feiten en ontwikkelingen wijzen immers in een andere richting. De aanhang van het CDA vergrijst, de secularisatie van het christelijk volksdeel zet door, in de politiek-sociale verhoudingen is de brugfunctie die de christen-democraten in het naoorlogse Nederland vervulden vrijwel overbodig geworden en in de politiek is paars niet de eendagsvlieg gebleken waar het CDA deze coalitie aanvankelijk voor hield.

De veranderingen in de politieke krachtsverhoudingen in de naoorlogse jaren spreken boekdelen. De aanhang van de christen-democratie is van ruim vijftig tot minder dan twintig procent gekrompen. Daarentegen is het electoraat van de liberalen (als daartoe niet alleen de VVD, maar ook D66 wordt gerekend) van ongeveer zes tot meer dan dertig procent gegroeid. De sociaal-democratie is, na uitschieters naar boven en beneden, met een aanhang van rond de dertig procent tamelijk stabiel gebleven.

In kringen van christen-democraten is de laatste jaren een veelgehoorde opmerking dat de PvdA na het vertrek van Kok hetzelfde zal overkomen als het CDA in 1994. Dat is nog maar de vraag, want het lijkt erop dat de sociaal-democratie tijdig de transformatie heeft ondergaan die nodig was om in deze jaren overeind te blijven.

Ten tijde van de WAO-crisis in 1991 leek de ondergang nabij, maar achteraf gezien heeft die crisis juist de stoot gegeven tot grote veranderingen in deze partij. Inhoudelijk maakte de vereenzelviging met de verzorgingsstaat plaats voor een open houding tegenover de markt en organisatorisch transformeerde de PvdA van een gesloten kaderpartij tot een open massapartij.

Al eerder heb ik geschreven dat de PvdA van nu meer lijkt op de VVD dan op de PvdA van twintig jaar geleden. Veelzeggend in dat opzicht is dat beide partijen zich graag met het succesvol gebleken politieke program van de Britse premier Tony Blair vereenzelvigen. Een minder overtuigend maar wel politiek pikant bewijs was de afgelopen zomer de aanwezigheid van de liberale Neelie Kroes op het PvdA-congres.

Deze Rotterdamse ondernemersdochter beschuldigde twintig jaar terug de PvdA ervan met een 'rode indoctrinatiespuit' in het onderwijs rond te gaan. Nu zat zij applaudisserend bij de vroegere vijand op de eerste rij, weliswaar op titel van echtgenote van Bram Peper, maar toch. Peper was destijds een van de ideologische aandrijvers van het door Kroes zo verfoeide kabinet-Den Uyl, nu is het zo ver dat een fusie tussen PvdA en VVD niet volslagen ondenkbaar meer is.

Opvallend in deze ontwikkeling is vooral hoe snel de transformatie van de PvdA zich heeft voltrokken. Dat duidt erop dat het vermogen tot aanpassing en verandering groot is. De vraag is of dat ook bij het CDA in gelijke mate het geval is. Het perspectief lijkt niet gunstig. In het Duitse weeklad Die Zeit constateerde de befaamde Engels-Duitse socioloog Ralf Dahrendorf deze zomer dat, bij de krachtige bewegingen in de politieke verhoudingen in West-Europa, de christen-democraten er belabberd voor staan.

In de naoorlogse periode konden zij sterk op de voorgrond treden omdat ze een helder program hadden - de opbouw van een democratische welvaartsstaat, Europese integratie en het verzoenen van kapitaal en arbeid -, maar nu lijken ze met lege handen te staan. Duitsland, België en Ierland zijn de enige EU-landen waar de christen-democraten nog aan de macht zijn. Als Schröder eind deze maand Kohl verslaat, moet Dehaene straks het licht uitdoen en is de dominantie van de sociaal-democraten compleet. Volgens Dahrendorf kunnen de christen-democraten zich er dan ook niet meer, zoals vroeger, op beroepen dat zij over de beste bestuurders beschikken.

De leiderschapscrisis die het CDA na het vertrek van Lubbers teisterde, onderstreept die waarneming. Het is niet overdreven om te constateren dat die crisis nog voortduurt. De Hoop Scheffer mist de overtuiging om tot een ware leider uit te groeien, die een eind kan maken aan de verdeelheid over de koers. Zijn optreden in het debat over de regeringsverklaring stelde teleur, omdat hij er niet in slaagde ook maar enige spanning op te roepen. De wijze waarop hij het CDA tegenover paars positioneerde was bleekjes en doet niet reikhalzend uitkijken naar de volgende confrontaties. Dat gebrek aan spanning is niet volledig aan De Hoop Scheffer te wijten. Het onderliggende probleem is dat het aan impulsen vanuit de samenleving ontbreekt om van de politiek een spektakel te maken.

Dahrendorf constateert dat politieke partijen niet langer sociale bewegingen vertegenwoordigen en dat het nu zelfs niet meer mogelijk is grote partijen met sociale groepen te identificeren. Tegelijk neemt hij waar dat het nieuwe politieke leiderschap zich nog maar weinig aan de partij en ook aan het parlement gelegen laat liggen. De tijd lijkt niet zo ver meer dat het met de traditionele partij is gedaan.

Maar ook komt de vraag op of de parlementaire democratie zoals we die kennen nog een lang leven is beschoren. Het leiderschap van het type van Blair en Kok vertoont populistische en regenteske trekken en behoeft tegenspel, anders gaat het niet de goede kant op. Het CDA is er vooralsnog niet tegen op gewassen.

mailIcon print |