*

 
dossier

Archief

Wat er mis ging bij de behandeling van de Cultuurnota

BEREND JAN LANGENBERG − 04/12/96, 00:00

Dankzij de Tweede Kamer hebben de kunsten er toch 16 miljoen gulden bij gekregen. Maar de Kamer ging zelf aan het verdelen en vroeg niet eerst advies aan de Raad voor cultuur. De schuld van staatssecretaris Nuis? De auteur is universitair docent economische aspecten van kunst en cultuur aan de Erasmusuniversiteit Rotterdam.

Zo'n handelwijze van de Kamer is niet de bedoeling geweest van de invoering van de cultuurnota- (vroeger: kunstenplan-) systematiek. De wet Specifiek cultuurbeleid 1993, waarin deze systematiek is vastgelegd, beoogde juist dat er een eind zou komen aan ad-hoc-gedrag van politici op het punt van kunstsubsidies. Hoe kon het dan toch weer gebeuren?

Waarschijnlijk heeft Nuis deze behandeling over zichzelf afgeroepen. De toon werd namelijk al gezet bij zijn uiterst ongelukkige start. Ik noem dat het verhaal van die ene gevende en de twee nemende handen. De coalitiepartijen hadden alledrie gepleit voor een substantiële verhoging van het cultuurbudget. In het regeerakkoord van '94 leidde dat tot de aankondiging van een structurele verhoging met 60 miljoen gulden. Maar de nemende hand van ex-minister D'Ancona vlak voor haar vertrek en de nemende hand van paars voortvloeiende uit een aantal algemene bezuinigingen leidden er per saldo toe, dat het budget in 1995 kleiner was dan dat van 1994 in plaats van groter.

De culturele sector voelde zich terecht door Nuis genomen. De regeringspartijen in de Kamer zagen vervolgens tijdens de behandeling van de nota kans om politieke winst te boeken met datgene waarmee Nuis natuurlijk zelf had moeten komen: verhoging van het totaalbudget. Tot zover is er nog niet zoveel mis. Jammer voor de staatssecretaris, dat wel, maar de paarse coalitie redde het culturele gezicht via haar Kamerleden.

Maar waar het mis ging was het verdeellijstje. In plaats van de Raad voor cultuur om een aanvullend advies te vragen voor de besteding van de 16 miljoen gulden extra, gingen de Kamerleden zelf uitdelen.

Ik meen dat de staatssecretaris deze gang van zaken had kunnen voorkomen als hij zich beter aan de wet had gehouden. Zijn nota 'Pantser of ruggengraat' gaat alleen over het voorgenomen beleid, dat wil zeggen over de komende vier jaar. Maar dat is volgens de wet maar de helft van het verhaal. De cultuurnota's moeten ook 'in ieder geval een verslag van de uitvoering van zijn taken (---) en van de belangrijke ontwikkkelingen die daarop van invloed zijn geweest' (artikel 3 lid 2) bevatten. Dat artikel staat niet voor niets zelfs vóór het toekomstig beleid genoemd. De wetgever heeft willen uitlokken, dat voor het nieuwe beleid lering getrokken wordt uit het vorige. Het alpha en omega van bestuurskunde: aan de formulering van nieuw beleid gaat een analyse van het vorige vooraf.

Alle culturele instellingen die voor subsidie in aanmerking wilden komen is hetzelfde gevraagd: wat hebt u de afgelopen periode gerealiseerd? Maar de staatssecretaris laat het achterwege. En daarmee heeft hij het detail-denken bij de behandeling van de nota in de hand gewerkt.

De gang van zaken overziend denk ik toch niet dat Jan Kassies weer reden voor aftreden had gezien. Tenslotte praten we nu wel degelijk over een beleid voor vier jaar waar hij in de jaren '60 al om vroeg. Bovendien hebben de Kamerleden niet gesnoeid, maar bijgeplant. Maar hij zou zich wel flink hebben geërgerd over de gedetailleerde bemoeienis van de Kamer en dat hebben laten weten ook.

De Raad voor cultuur is verdacht stil gebleven en dat is niet goed. Ik geef hier een ongevraagd advies aan de adviseurs: kijkt u nog eens goed wat met uw advies is gedaan, beoordeel of de nota en de behandeling daarvan wel aan de bedoelingen van de wetgever zelf heeft voldaan en laat u daarover horen. Laadt niet de verdenking op u, dat wanneer er maar extra geld komt het er allemaal niet meer toe doet en u uw mond wel houdt. En vraagt u eens naar dat verslag.

mailIcon print |