*

 
dossier

Archief

Cabaret verbroedert vrijgevochten doopsgezinden

Door: redactie − 05/02/96, 00:00

Uitvoering Mennotheater, 9 februari, 20.00 u. Doopsgezinde kerk, Singel 452, Amsterdam.

Voor ze optreden, doen de doopsgezinde predikanten uit Haarlem en Amsterdam onder leiding van verhalenverteller en regisseur Pete Pronk nog wat ontspannningsoefeningen. “Jezus, wat kun je dat goed Sybout”, zegt een predikant tegen een collega die z'n schouders masseert. “Deze schouder niet”, roept een ander door de zaal “daar heb ik zo'n last van”. “Verdomme, het zit hartstikke vast”. Met een schuin oog naar de verslaggever roept een predikant: “Het Haarlems onversneden evangelie.”

Het is uniek dat Haarlemse en Amsterdamse doopsgezinde predikanten samen een cabaret opvoeren omdat er tussen doopsgezinden in beide steden nogal wat rivaliteit heerst. Amsterdammers vinden Haarlem provinciaals en bekakt, vertelt een Haarlemse predikant, Haarlemmers vinden Amsterdam te rood.

Het is de Friese kerkhervormer Menno Simons, 500 jaar geleden geboren, geestelijk vader van de doopsgezinden in Nederland, die nu de twee steden aanleiding geeft om te verbroederen. Samen met Pete Pronk hebben de predikanten een cabaret rondom de persoon van Menno Simons geïmproviseerd. Ieder speelt daarin een persoon uit de geschiedenis óf uit deze tijd die op de een of andere manier met de kerkhervormder verbonden is. De predikanten hebben een personage uitgezocht of gecreëerd waarmee ze zichzelf kunnen identificeren.

Het troepje ten doet wat denken aan een familie die aan tafel zit, zich tegoed doet aan het eten en gezellig door elkaar praat. Voor het oefenen vliegen de zinnen over tafel: “Misschien heeft de koster nog een strijkplank”, “Mogen we een beetje swingen?”, “Swingen?!”, “We rotzooien maar wat aan, dat is de ware mentaliteit”, “Christien, jij wilt perfectie terwijl het gaat om emotie”, “Mieke haalt bij psalm 25 Menno uit bed”.

Tijdens het cabaret is er gelukkig de ruimte voor de vrijgevochten doopsgezinden om wat te improviseren, een beetje weg te dromen, of heen en weer te lopen rondom het toneel, wat met elkaar te fluisteren, of in de rolstoel te gaan zitten waar Menno Simons mee het toneel opgereden werd.

Maar sommige gedeeltes zijn strak en verlopen volgens plan. Die zijn ook te emotioneel om mee te improviseren. Zoals waar ds. Margreet Stubbe de martelares Wendelmoed Claesdochter speelt die haar hervormingsgezindheid met de dood moest bekopen. Het was doodstil in de kerk toen ze op het toneel in een denkbeeldige cel hardop tegen zichzelf sprak ('Ik ga mij kleden voor de dood, in een puur wit kleed, een geschenk dat ik zou dragen op de dag dat ik gelukkig was') en een afscheidsbrief naar een vriend schreef. “Ik val voor het ruisen van de zee, ik val voor het waaien van de wind, voor de geuren die God ons toeblaast, voor de reigers die klapwieken rond de toren. Misschien zeg je: je hebt een zachte stem, niemand zal je horen. Maar ik geloof het van wel. De vogels nemen het geluid mee. Want het is de stem van de vrijheid. En dat is toch de stem van God?”

mailIcon print |