*

 
dossier

Archief

beeldende kunst

ROBBERT ROOS − 03/01/98, 00:00

ROTTERDAM - Het is alsof een mythische versie van Lewis Carrolls dromenland is gestold in de sculpturen van Max Ernst, te zien op de bovenverdieping van de Bodonvleugel van Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam. Geabstraheerde figuurtjes spelen er een spel met de verbeelding en voeren je mee naar een schemerland tussen ratio en rite.

Max Ernst (1891-1976) behoort tot de minst grijpbare van de surrealistische kunstenaars. Een werk van Dali herken je altijd meteen, het identificeren van een Magritte of Picabia is meestal ook geen probleem, maar Ernst stelt je regelmatig voor raadsels. Als een kameleon kruipt hij steeds weer in andere picturale huiden, variërend van Dada-eske collages en surrealistische droomscènes tot ongrijpbare landschappen, interpretaties van mythologische figuren en haast etherische observaties van natuurlijk leven. Je kunt zes schilderijen van hem ophangen en denken dat ze door zes verschillende handen geschilderd zijn. Daar tussendoor kronkelt een sculpturaal oeuvre dat als enige een zekere consistentie heeft.

In de hoogtijdagen van zijn dadaïstische en surrealistische periode maakte Ernst wel eens een object of reliëf, maar van een beeldhouw-oeuvre was toen nog geen sprake. Dat kreeg pas vorm vanaf het begin van de jaren dertig, na een kort verblijf bij de Zwitserse beeldhouwer Alberto Giacometti. Samen met Giacometti ontdekte Max Ernst keien en stenen die door de natuur (vooral door erosie) al in een bepaalde vorm waren geslepen. Het enige dat ze hoefden te doen was de vormen accentueren door erin te kerven of erop te verven en ze zo een eigen identiteit geven. De stenen werden zodoende een soort ready-mades.

In een brief aan een bevriende kunsthistorica schreef Ernst opgetogen over de ontdekking: “Alberto en ik zijn bevangen door de opwinding om te beeldhouwen. We werken met grote en kleine granieten blokken in de morenen van de Forno-gletcher. Deze zijn door de tijd, het ijs en het weer op een vreemde manier uitgesleten en zijn daardoor van zichzelf al fantastisch mooi. Waarom zouden we daarom niet het belangrijkste werk aan de elementen overlaten en ons tevreden stellen met het krassen van onze geheimen erin, als runetekens...?”

Ernst was al eerder gefascineerd geraakt door een steen die door het eindeloos schuren van zand een ronde vorm had gekregen met een maan-achtige inkerving. Het was een gift van de bevriende kunstenaar Roland Penrose, die haar in Egypte had gevonden. Ernst zou afgietsels van de steen in zijn vroege sculpturen veelvuldig gebruiken, vooral als de ogen van zijn enigmatische figuren. Het origineel fungeert als 'Het oog van de Sfinx' - geplaatst in een juwelendoosje - zelf ook als kunstwerk, een gekoesterde ready-made.

Wat bij de in Boijmans opgestelde figuren het meeste opvalt is de ongrijpbare wisselwerking tussen ratio en mythe. De mannetjes, vrouwen, dier-achtigen, maskers en antropomorfe objecten zijn opgebouwd uit puur geometrische vormen als de cirkelvormige schijf, de kegel, konische vormen, driehoeken, rechthoeken en zelfs prozaïsche vormen als een bloempot en lepel - maar hun compositie heeft een bezieling die doet denken aan de rite-kunst van inheemse volken.

Ernst is op gezette tijden zeker beïnvloed geweest door de niet-westerse kunst - hij kende de sculpturen van Paaseiland en woonde in de Verenigde Staten enige tijd in de buurt van Indiaanse gebieden - maar de beeldhouwwerken zijn niet zomaar variaties op de beeldtaal van deze culturen. Daarvoor zijn ze te doelbewust en rationeel in elkaar gezet en referen de vormen teveel aan de westerse mythologie, de formele Europese kunsttaal en de puur persoonlijke iconografie van de kunstenaar.

Een uiting van dat laatste is de 'Loplop', een vogel-achtige creatie die Ernst aan het eind van de jaren twintig in zijn schilderijen introduceerde. “Een persoonlijke geest, verstrengeld met de persoonlijkheid van Max Ernst, soms gevleugeld, altijd seksueel”, aldus de kunstenaar zelf. Het motief komt vaak voor in combinatie met lichamen die gereduceerd zijn tot elementaire vormen.

Ernsts raadselachtige sculpturale wezens worden in Boijmans vergezeld door de serie 'Histoire Naturelle', een reeks werken op papier waarin de kunstenaar experimenteerde met de frottage-techniek (overwrijven). Hierin komt het hele arsenaal aan organische beeldelementen voorbij, dat in de schilderijen veelvuldig wordt gebruikt en soms ook in de sculpturen opduikt. Vooral houtnerfstructuren, bladstructuren en patronen op schelpen spelen een belangrijke rol in de composities. De bladen bewijzen opnieuw hoe Ernst een magische band weet te kweken tussen het reëel zichtbare en het onbenoembaar mythische. Een kwaliteit die de kracht van zijn oeuvre bepaalt, of het nu om de schilderijen, collages, grafiek of sculpturen gaat.

mailIcon print |