“De morele plicht van de barmhartige Samaritaan om hulp te verlenen, leidt ongewild steeds vaker tot medeplichtigheid aan het in stand houden van schendingen van de mensenrechten door criminele politieke elites ter plaatse.
Illustratief zijn de recente gebeurtenissen in Oost-Zaïre, waar de hulp aan de miljoenen vluchtelingen uit Rwanda grotendeels in handen is gekomen van extremistische Hutu's, die in 1994 in eigen land honderdduizenden Tutsi's hebben afgeslacht. Met die hulp kochten zij wapens, en daarmee verhinderden zij de vluchtelingen de terugkeer naar Rwanda.
De Grote-Merencrisis heeft duidelijk de negatieve kanten van de humanitaire hulpverlening laten zien. De klassieke gedachte was altijd dat goede bedoelingen alleen maar goede effecten konden hebben. Dat hulp, zoals nu blijkt uit de gebeurtenissen in de Oost-Zaïrese vluchtelingenkampen, ook kan leiden tot verlenging van conflicten was ondenkbaar.
Tijdens de Koude Oorlog was hulpverlening eenvoudig georganiseerd. Er bestond consensus over bepaalde humanitaire spelregels, die door Amerika en Rusland werden afgedwongen, ook bij hun vazallen in de Derde Wereld. Neutrale hulpverlening kon rekenen op respect van de strijdende partijen. Hulpverleners en hun goederen kregen, meestal onder bescherming, vrije toegang tot de slachtoffers.
De nieuwe generatie conflicten zijn totale oorlogen, waarin meerdere partijen elkaar bestrijden in statenloze zones, waar geen centraal gezag meer is. De strijd vindt plaats langs etnische lijnen en spitst zich toe op de controle over de schaarse economische middelen.
Ontwikkelingshulp is voor de krijgsheren van toenemende waarde geworden. Hulp is niet alleen in absolute zin gegroeid, ook het relatieve belang is groter geworden doordat landen niet meer kunnen rekenen op de bijdragen van de Koude-Oorlogsbroodheren Washington en Moskou.
De morele plicht van de Samaritaan verzwakt de politieke wilsvorming op internationaal niveau om bevolkingsgroepen in gevaar daadwerkelijk te beschermen en de diepere oorzaken van de conflicten aan te pakken. Humanitaire hulpverlening is verworden tot surrogaat voor politieke actie, een afkoopsom voor het publiek in de Verenigde Staten en Europa.
Als hulporganisatie moet je je afvragen welke rol je in bijvoorbeeld Liberia, Rwanda en Burundi wil spelen. Daar woeden oorlogen waar het motief van de hulpverlener om mensen te helpen overleven, haaks staat op het motief van de politieke elite: de etnische vernietiging. In die situaties is de strikte neutrale benadering van een hulporganisatie geen paspoort meer voor toegang tot slachtoffers.
Houd je als hulporganisatie vast aan je strikte neutraliteit dan ben je uiterst kwetsbaar voor misbruik door lokale partijen. Verzet tegen misbruik leidt tot directe bedreigingen tegen de medewerkers van de hulporganisaties en tot doelbewuste moordaanslagen. Kijk naar Rwanda, waar eind januari drie Spaanse medewerkers van Médecins du Monde zijn vermoord. Dat was een duidelijk geplande terroristische actie. De aanval herinnert aan de moorden die eind vorig jaar in Tsjetsjenië werden gepleegd op zes Rode-Kruis-medewerkers. Bendes leren snel, luisteren naar BBC-wereld-service. Ze weten dat als ze de hulpverlening uit hun regio willen hebben, ze een aantal medewerkers van een hulporganisaties neer moeten schieten. Dat doen ze zonder aarzeling. Artsen zonder grenzen vertrekt zodra medewerkers levend doelwit worden van dit soort banditisme.
In plaats van het verdedigen van hun marktaandeel, zullen hulporganisaties zich moeten richten op het verdedigen van waarden en principes. De hulpverlening zal een keuze moeten maken vóór het slachtoffer en tègen hun onderdrukkers. Zolang we dat als mensenrechten- en hulporganisaties niet doen, zijn we collectief aan het verliezen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.