Het is duidelijk dat ook de economie van Indonesië geheel 'mataglap' is geraakt. Zonder buitenlandse hulp zal dat land er niet meer bovenop komen.
Het heeft niet zo heel veel zin om in de crisis die door Azië waart, gelijk met de vinger naar schuldigen te wijzen. Het zoeken van een oplossing is op dit moment belangrijker. Maar in het geval van Indonesië moet toch eerst worden vastgesteld dat daar de economie min of meer draait rondom de persoon van president Soeharto. Er zijn weinig grote landen waar de machthebber en diens directe familie zo hun stempel drukken op het zakelijk verkeer - en er zo rijk van zijn geworden.
Dat is een belangrijk verschil met de situatie in bijvoorbeeld Zuid-Korea, waar de wereld eveneens massaal te hulp schiet. Er is nog een onderscheid: in Zuid-Korea heeft de bevolking net een nieuwe president gekozen, die daarmee met het nodige vertrouwen aan het herstel kan werken. Bij de Indonesiërs, cynisch geworden door het nepotisme en het gebrek aan democratie, zal dat gevoel om samen het land te redden een stuk minder zijn.
De vraag rijst of de internationale gemeenschap zo'n land wel te hulp moet schieten met tientallen miljarden guldens, waarvan een niet onaanzienlijk deel dreigt te verdwijnen in de zakken van de familie Soeharto. Het antwoord daarop is dat je de Indonesiërs, die per slot van rekening de pisang zijn, niet in de steek kunt laten. Maar laat mensen als Michel Camdessus, de topman van het IMF, dan wel keiharde eisen stellen als hij de komende week in Jakarta gaat praten. Eisen over een fatsoenlijke besteding van het geld, waarbij zo min mogelijk aan de strijkstok blijft hangen. En het zou geen kwaad kunnen als hij die gesprekken ook, openlijk, met de oppositie voert. Zodat Soeharto ziet dat er ook voor het buitenland een alternatief mogelijk is bij de komende presidentsverkiezingen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.