*

 
dossier

Archief

Als boeren in de bijstand belanden, het zij zo

DILLIAN HOS; MAAIKE VAN HOUTEN − 08/10/97, 00:00

DEN HAAG - Een minister van landbouw die nog nooit in de stront had gestaan. Dat kon nooit wat worden met Jozias van Aartsen. Maar na drie jaar is de twijfel die heerste rond zijn aantreden in elk geval op het Binnenhof verdwenen. Voor een geslaagd ministerschap bleek Van Aartsens politiek gevoel belangrijker dan kennis over de ins en outs van de mestwetgeving.

Stront heeft de bewindsman intussen genoeg gezien, al heeft hem dat er niet toe kunnen brengen het kostuum eens thuis te laten op werkbezoeken. Onder de overall steevast het nette pak. Zijn voorkomen is vormelijk en altijd correct, zijn dictie soms bekakt.

Deze man van buiten de agrarische sector deed het aanvankelijk slecht bij de boeren en tuinders. Nog altijd is Van Aartsen er niet overdreven populair, maar de verhoudingen met de voormannen zijn aanzienlijk beter dan men drie jaar geleden nog had kunnen denken.

En dat terwijl de minister in die jaren bepaald geen vrolijke boodschappen over de sector heeft uitgestort. Boeren moesten hun inkomen maar meer uit de markt halen. Zou men in de bijstand belanden, het zij zo, aldus Van Aartsen. De tuinbouw moest gesaneerd, biggen doodgespoten en de varkenssector drastisch op de schop.

Deuken liep de minister er niet door op. Ondanks de onheilstijdingen is hij nog altijd in gesprek met de land- en tuinbouworganisaties. Sterker nog, voor een aantal operaties heeft hij hun steun weten te verwerven. En ook politiek bleef de schade beperkt.

Hoe komt dat toch? Om te beginnen is Van Aartsen niet lichtzinnig te werk gegaan. Net aangetreden houdt hij een half jaar zijn mond. Terwijl de sector zich luidkeels afvraagt of er nog wel een minister van landbouw is, werkt de bewindsman zich geruisloos in.

Al meteen besluit de zoon van de oud-minister en oud-commissaris van de koningin in Zeeland, dat het tijd is de luiken van het ministerie wijd open te gooien. Het altijd zo gesloten departement moest meer gaan communiceren met het veld, en dan niet alleen met het voor de hand liggende middenveld.

De bewindsman verzamelt een kring adviseurs om zich heen die niet alleen uit zijn eigen ambtenaren bestaat. In het gezelschap bevinden zich lieden uit de land- en tuinbouw maar ook uit de milieubeweging en de financiële wereld. Op het departement valt dat aanvankelijk niet overal even goed, maar de waardering daarbuiten is des te groter. Al vroeg heeft de nieuwbakken bewindsman daarmee een draagvlak gecreëerd.

Na een half jaar is Van Aartsen ingewerkt en uitgedacht. Hij komt met zijn Prioriteitennota. In 'Dynamiek en vernieuwing' (al snel bekend als 'Dynamiet en vernieling') kondigt hij een snoeihard beleid aan. De boer moet produceren wat de klant vraagt. Subsidies dienen waar mogelijk te verdwijnen. “Er is altijd nog het vangnet van de sociale regelingen”, zegt hij, verwijzend naar de bijstand. De boeren zijn woedend. Zulke praat hebben ze nog nooit gehoord van een minister van landbouw. Als er wat stond te gebeuren, dan was het toch gebruik zo'n besluit even voor te koken met de achterban.

Om zijn ideeën te kunnen verwezenlijken moet de hele sector op de schop. Van Aartsen peutert in het kabinet geld los om vernieuwende ondernemers bij te staan. Dat maakt deze ingreep een stuk verteerbaarder.

Echt lastig krijgt hij het pas als hij het mestbeleid aanpakt. Dat ligt in 1994 min of meer op z'n gat. Het vorige kabinet had wel een deal met de sector, maar dat beleid bleek slecht controleerbaar. Het nieuwe beleid is minder streng dan het vorige, maar de sector loopt er (vergeten dat zij al akkoord waren met het oude) toch tegen te hoop. Van Aartsen is echter onverbiddelijk. Het is een van de eerste momenten waarop de minister toont onvermurwbaar te zijn. Heeft hij eenmaal besloten, dan is er nog weinig ruimte voor onderhandeling. De landbouwkoepels zijn zich dat intussen goed bewust. Liever overeenstemming met de minister bereiken in een vroeg stadium, dan wachten tot hij besloten heeft.

Maar de boeren zelf pikken het niet. De minister wordt op bijeenkomsten bekogeld met eieren. In Wageningen loopt het een keer zo uit de hand, dat de minister door de politie moet worden ontzet. Hij wordt ook bedreigd en moet een tijdlang met bewaking door het leven. De sabotage van de boeren valt ook in de Kamer slecht; hij steunt de minister ook om die reden volmondig.

De varkensboeren blijven zich echter verzetten. Dat verzet breekt als begin '97 plots de varkenspest uitbreekt. De agrariërs hebben wel wat anders aan hun hoofd dan de mestboekhouding saboteren. Zo lost het ene probleem het andere op. Maar de varkenspest stelt Van Aartsen, net bekomen van de problemen met BSE, zwaar op de proef. Hij schroomt niet de varkenshouderij een deel van de schuld in de schoenen te schuiven, en erkent dat hij in het begin fouten heeft gemaakt. De minister opereert uiterst voorzichtig, misschien té voorzichtig. De ultieme ingreep, een fokverbod, houdt hij maandenlang achter de hand. Eerst probeert hij minder vergaande maatregelen.

Vrijwel de hele Kamer steunt deze lijn, al reageren alle fracties verbijsterd op Van Aartsens voornemen jonge biggen dood te spuiten. Toch weet hij de Kamer achter zich te krijgen, waarschijnlijk niet in de laatste plaats omdat de minister zelf ook benadrukt de maatregel afschuwelijk te vinden.

In echt lastig vaarwater is de minister politiek nog niet terechtgekomen. Dat is niet verwonderlijk. Jozias van Aartsen heeft in zijn tijd als secretaris-generaal op het ministerie van binnenlandse zaken geleerd waar de politieke bananenschillen liggen, en hoe je ze moet ontwijken. Jarenlang wachtte hij op een baan, waarin hij het zelf voor het zeggen had, maar steeds greep hij mis. In 1994 lukte het, toen anderen bedankten voor Landbouw. In die tijd zei VVD-coryfee Wiegel, met wie Van Aartsen ooit twee verkiezingsprogramma's schreef: “Jozias heeft een scherp verstand. Die gaat het ver schoppen.”

mailIcon print |