*

 
dossier

Archief

Slapen? Ik doe geen oog dicht

HARO HIELKEMA − 03/01/97, 00:00

Mens-erger-je-niet op oudejaarsavond was geen succes voor hem geweest. En woensdag was hij niet te genieten geweest. Chagrijnig, voelde overal pijntjes. Toch die spanning, waar hij eerst niet aan wilde toegeven. Was hij er klaar voor, had hij wel genoeg gereden, ging z'n nek niet weer opspelen en wat zou z'n bilspier doen waar ie steeds last van had? Hij kon weinig hebben, haalde alles overhoop voor z'n nieuwe kniebeschermers en vond ze, natuurlijk, op zolder: waar anders!

Maar nu het hoge woord er bij Henk Kroes uit is, voelt híj zich ook opgelucht: startnummer 6549, een van de 16 000, heeft er zin in. Gisteren heeft hij 100 km gereden in zijn complete uitrusting. Lekker gladjes ging het, hij reed gemakkelijk en eerlijk gezegd was hij niet echt moe.

Een douche en een groot bord spaghetti en hij was weer boven Jan. “We eten deze week veel pasta, Daar wordt thuis rekening mee gehouden. Een kwestie van koolhydraten stapelen.”

Hij is klaar voor de Elfstedentocht. “Ik ben op tijd begonnen met m'n voorbereiding, ontspannen tochtjes van 40 kilometer en ten slotte die van 100. Het rijdt weer. Ik heb alles gedaan wat ik wilde. Maar op zo'n moment dat het gaat spannen, zit je even moeilijk. Ik wilde mijn hele tenue uitproberen. Je denkt dat je het bij elkaar hebt en dan komt alles even op haren en snaren te staan.”

Hij is 46, Amstelvener, werkt bij het spoor en is een groot schaatsliefhebber. Staat elke week een paar keer op de ijsbaan. In '85 heeft hij met datzelfde startnummer 6549 de finish gehaald, stralend. Feest was het die dag geweest, voor hem en z'n schaatsmaatje.

In '86 was hij er weer bij, lag de nacht vóór de tocht opnieuw bij zijn gastgezin in Stiens te slapen toen de telefoon ging: bij zijn vrouw waren de weeën begonnen. Hij heeft de Elfstedendag thuis voor de buis gevolgd, de volgende dag werd een wolk van een meid geboren.

“Ik zie zaterdag wel. Ik ga van start, ik hoef niets. Ik rij om te genieten, net als in '85. Als je vertrekt om per se de eindstreep te halen, dan ga je forceren. En geloof maar dat het lastig wordt, nu er zo vroeg in het jaar wordt gereden. Het is veel langer donker.”

Hij heeft zijn oude startkaart nog weer eens tevoorschijn gehaald. “In '86 moest mijn groep om kwart voor zeven van start. Dat betekent dat je minstens een uur zonder licht rijdt. En om vijf uur is het al weer donker. Ik schat dat we 70 van de 200 kilometer in het donker rijden.”

Hij mist zijn schaatsmaat, die nog in Venezuela zit. 'Ik denk niet dat hij op tijd terug is. Dat is jammer: we reden echt samen, door dik en dun. Natuurlijk rijd je op zoë dag met een hoop mensen, maar dat is anders.'

Z'n outfit is veranderd. Hij is vooral bang voor valpartijen en heeft dus kniekussentjes en schoudervullingen. Hempje, shirt, trainingsjack - het is nog lichter dan vorige keer, maar koud heeft hij het niet. Hij zal droge spullen meenemen en z'n kleren desnoods in een café over de verwarming drogen. Bivakmuts en skibril, en veel vaseline. “Zo rommel je een beetje aan.”

Familie, vrienden: iedereen heeft al gebeld om 'm succes te wensen. De straat leeft mee. “In een dorp hoor je wie de tocht gaat rijden.” Vanmorgen gaat hij nog even langs bij de fysiotherapeut, nog even die nek laten bewerken. De rest van de dag doet hij rustig aan. Op tijd naar Leeuwarden rijden om z'n startnummer op te halen en dan naar het gastgezin in Stiens. “Slapen? Ik doe toch geen oog dicht. Dat komt later wel.”

mailIcon print |