Van onze kunstredactie DEN HAAG - Dorstigen naar opsmuk en tierelantijnen moeten niet wezenbij de schrijver A. Alberts, die voor zijn oeuvre gisteren de PC Hooftprijs 1995 kreeg toegekend.
Alberts (1911), geboren in Haarlem, studeerde Indologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht, waar hij in 1938 promoveerde tot doctor in de Letteren en Wijsbegeerte. Na zijn promotie was hij ambtenaar op het ministerie van koloniën in Parijs en bij het binnenlands bestuur van Nederlands Indië. Na zijn internering door de Japanners keerde hij in 1946 voorgoed terug naar Nederland. Van 1953 tot 1965 was hij redacteur bij De Groene Amsterdammer.
Een willekeurige passage uit zijn tweede boek, 'De bomen' (1953) geeft al aan hoe sober en dwingend-vervoerend hij schrijft.
“Hé, Aardenburg! riep de jongen. Aart keek om en stak zijn hand op. Hij zag, dat de jongen hem wenkte. Aart remde af en de jongen en het meisje haalden hem in. Wat is er? vroeg Aart.
Heb je zin om vanavond een eindje te gaan fietsen? vroeg de jongen. Zij komt ook mee en hij wees op het meisje. Ze brengt een vriendin mee.
Het meisje knikte.
Goed, zei Aart.
Vanavond om half acht bij het begin van het bos, zei de jongen.
Goed, zei Aart.
Dan fietsen we dit pad een eind af, zei de jongen.
Goed, zei Aart.
Die rare kwiebus daar moet je niet meenemen, zei de jongen en hij wees op Theo.
Nee, zei Aart.
Nou, dat is dan afgesproken, hè, zei de jongen.
Ja, zei Aart. Saluut.
Saluut! zei de jongen. Om half acht, hè.
Ja! schreeuwde Aart. Hij trapte hard om Theo weer in te halen.
Wat had die vent nog? vroeg Theo toen ze weer bij elkaar waren.
O, niets, zei Aart.''
Op 28-jarige leeftijd promoveerde Alberts in Utrecht op de studierichting Indologie. Zijn proefschrift was een historische verhandeling over een politiek conflict in de jaren 19847-1851 tussen de minister van koloniën Jean Chrétien Baud en de liberale oppositieleider, de latere minister van binnenlandse zaken Rudolf Thorbecke. Uit een fragmentarisch bewaard gebleven gesprek tussen Thorbecke en koning Willem III reconstrueerde hij een levendige dialoog. In het dankwoord aan zijn leermeester, hoogleraar in de koloniale geschiedenis Frederik Carel Gerretson, alias de dichter Geerten Gossaert, rekende hij bij voorbaat af met critici die zo'n verlevendiging niet wetenschappelijk genoeg zouden vinden: “Hooggeleerde Gerretson, ik heb jarenlang het voorrecht gehad uw leerling te zijn en het is mijn eerste wensch om dit voorrecht te blijven verdienen. Van u leerde ik de waardevolle les, dat men de geschiedenis wel moet onderzoeken om de waarheid te leeren kennen, maar dat men ze moet schrijven, om ze aan het volk te doen lezen.”
Toen hij jaren later, begin jaren negentig, gevraagd werd of hij nog meer historische romans ging schrijven, antwoordde hij: “Nee. Ik heb er geen zin meer in. Ik heb zelfs uitgewerkte stukken voor een biografie van Napoleon, die ik van plan was te schrijven, klaarliggen, maar het is me te veel. Bovendien vinden vakhistorici m'n boeken toch maar niks, niet degelijk genoeg.”
Na terugkeer van z'n driejarig verblijf in Parijs vertelde hij de schrijvers Bernlef en K. Schippers: “Als je daar in Parijs rondloopt is de geschiedenis. . . . het eerste dat op je afkomt en niet de mensen die er lopen, die zie ik dan ook vaak nooit, bij wijze van spreken. Maar als je bijvoorbeeld bij dat kleine kerkje staat, dan zie ik de hele Bartholomëusnacht daar, dus kan ik het ook bijna niet uithouden. Als ik het niet helemaal duidelijk heb gemaakt; ik kan moeilijk zeggen: ik hou zo veel van geschiedenis.”
Vorig voorjaar ontving 'de meester in de techniek van het weglaten' van de Utrechtse universiteit een zilveren medaille 'vanwege zijn verdiensten voor de Nederlandse letterkunde'. Veel aandacht trok de korte roman 'De vergaderzaal' (1974), die twee jaar later voor televisie werd verfilmd. In 1975, het jaar dat Alberts de Constantijn Huygensprijs kreeg, verscheen de verhalenbundel 'Haast hebben in september'.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.