*

 
dossier

Archief

Met Fokker staat reputatie Nederland niet op het spel

PETER VAN LAKERVELD − 02/02/96, 00:00

“Als Fokker omvalt, is dat slecht voor de naam van de Nederlandse industrie”, zei Fokker-topman B. van Schaik. Hij deed die uitspraak vlak voor het fatale moment waarop Daimler financieel zijn handen aftrok van het zieltogende bedrijf. Het was een kennelijk ultieme poging het Nederlandse kabinet tot een grotere bijdrage te verleiden.

Het kabinet zou zeer gevoelig moeten zijn voor de naam van de industrie in dit land, bedoelde Van Schaik. Maar bestaat die naam eigenlijk wel? En zo ja, is die dan goed of slecht? Er zijn inderdaad landen die bekendheid genieten wegens de kwaliteit van hun industrieprodukten. Zweden is (of was?) zo'n voorbeeld. Goed spul, bepaald niet goedkoop, maar met een gevoel voor perfectie gemaakt. De Zweedse auto-industrie heeft profijt gehad van die reputatie. Duitse produkten zijn wellicht met weinig fantasie gemaakt, maar ze zijn wel oerdegelijk, vinden we.

Maar of aan Nederlandse industriële voortbrengselen een algemeen geldend etiket kleeft, valt te betwijfelen. Made in Holland, wat zegt dat? Vaak letten consumenten er niet eens op, of het zegt ze niets. Amerikanen, die een Philips-artikel kopen, weten - zo wordt beweerd - niet eens, dat Philips uit Nederland komt. Trouwens, heel wat Philips-produkten zijn niet eens hier gemaakt. In veel gevallen laten consumenten hun keus eerder afhangen van prijs of kwaliteit, dan van de nationaliteit van de maker.

Dat is niet overal zo. Fransen kopen liefst Franse auto's. Japanners vertrouwen eigen produkten meer dan buitenlandse, hoewel dat afneemt. Maar in veel landen doet de herkomst er veel minder toe, al zal menigeen de wenkbrauwen fronsen bij de aanbieding van een Roemeens strijkijzer. Oosteuropese artikelen hebben een negatieve klank.

De onverschilligheid over de herkomst kent, wat Nederland betreft, een paar uitzonderingen. De meest in het oog springende is Heineken. Het biermerk is internationaal hoog aangeschreven en staat ook bekend als Hollands. Maar zelfs de onderneming Heineken afficheert zich liever als “internationaal drankenconcern”, dan als Nederlands bedrijf. Wat vreemd is, want de belangrijke beslissingen worden allemaal door Nederlanders genomen.

Een wat meer nadrukkelijke presentatie als Nederlandse industrie, zou eigenlijk wel goed zijn. Niet als een soort kwaliteitsgarantie, eerder om te tonen dat we hier nog meer verkopen dan kaas. Duitsers denken bij import uit Nederland aan kaas, sla en - in negatieve zin - aan tomaten. Wanneer Nederland alleen bekend staat als agrarisch exporteur, kan dat nadelig werken. “Aluminium raambekleding uit zo'n kaasland, dat kan toch niks zijn.” De Nederlandse overheid is voor zulke reacties vroeger doodsbang geweest. Men getroostte zich in de jaren vijftig en zestig grote inspanningen om het buitenlandse beeld van molens en klompen uit te bannen. Tot men ontdekte dat dit charmante, zij het wat kneuterige imago meer toeristen trok dan helemaal geen nationaal beeldmerk.

Als de industrie zich nadrukkelijker als Nederlands zou manifesteren, kan dat naar de consumenten toe zeker van belang zijn. Maar, niet voor de Nederlandse leveranciers van onderdelen of halffabrikaten in de steeds meer onderling samenhangende wereldmarkt. Hùn afnemers zijn helemaal niet geïnteresseerd in nationaliteit. En Fokker dan? Dat streelde vooral het Nederlandse gevoel. De afnemers in het buitenland gaat het uitsluitend om de kwaliteit van de vliegtuigen. De naam van Nederland staat hier niet op het spel.

mailIcon print |