*

 
dossier

Archief

DAGBOEK

ANN MARY FULI − 27/05/95, 00:00

Bewerking en vertaling: Maria Straathof. Ann Mary Fuli (41) is geboren in het zuidelijk deel van Soedan, het landsdeel dat door het fundamentalistische moslim-regime in de hoofdstad Khartoem als tweederangs wordt beschouwd. De zuiderlingen zijn immers zwart en bovendien meestal christen. Ann Mary Fuli ontvluchtte de repressies in haar geboortestreek om in Khartoem een nieuw bestaan op te bouwen. Ze heeft gestudeerd en probeert nu door privé-lessen Engels te geven in haar levensonderhoud en dat van haar vijf kinderen te voorzien. Haar man heeft haar in de steek gelaten. Eind vorig jaar werd ze uit haar huis gejaagd en vond ze een nieuw onderkomen, zo'n twintig kilometer van het centrum van Khartoem. Omdat de bussen onregelmatig of in het geheel niet rijden, heeft ze haar lessen moeten staken. Twee maanden heeft ze nog kunnen meewerken met een team van Artsen zonder Grenzen. Nu heeft ze zich aangemeld als medewerkster bij een groepje buitenlandse waarnemers, die begin mei het optreden van leger en politie en de situatie van vluchtelingen en ontheemden in en om Khartoem gaan onderzoeken. Sinds het begin van dit jaar houdt het leger razzia's in de buitenwijken van Khartoem. Stadsbussen worden aangehouden en alle arabische en zwarte jongens tussen twaalf en achttien jaar worden gevangengenomen. Ze worden op een politiepost opgesloten en de familie mag ze komen vrijkopen. Jongens van wie geen familie opdaagt, worden afgevoerd naar een militair trainingskamp. Daar krijgen ze een 'opleiding' en daarna worden ze doorgestuurd naar het front in het zuiden van Soedan. De jongste zoon van Ann Mary Fuli is ook bij zo'n razzia opgepakt, maar hij wist zijn bewaker om te kopen. Zijn moeder stelt nu alles in het werk om hem en haar andere zoons het land uit te krijgen, naar Oeganda of Kenia. Vorig jaar hield zij een dagboek bij. Deze fragmenten vormen het relaas van een vrouw die poogt te overleven in een land dat tenonder gaat aan religieus fanatisme, rassenwaan en hebzucht.

13 juni 1994. Ik ben een Soedanese van oorsprong, geboorte en nationaliteit, hoewel ons zuiderlingen het recht ontzegd wordt om dat te zijn. De Arabieren beweren dat geen van al die stammen langs de zuidelijke grenzen Soedanees is. Ik ben geboren in 1954. Toen de eerste burgeroorlog uitbrak, in 1955, vluchtten eerst mijn vader en later mijn moeder met ons de grens met Oeganda over. Daar werden wij allemaal geregistreerd als vluchtelingen. Later kreeg mijn vader grond toegewezen en werd hem ook een baan aangeboden. We kwamen niets tekort. Hij meldde ons aan als leerlingen op de scholen van de missionarissen, de meisjes net zo goed als de jongens. In 1970 deden mijn zus en ik examen voor de Primary Leaving Certificates. Ik kreeg een beurs voor de Senior Secondary School en haalde in 1974 mijn Cambridge School Certificate. In 1972 was de Overeenkomst van Addis Abeba getekend (de wapenstilstand tussen de regering in Khartoem en de afscheidingsbeweging in het zuiden, red). Daarom ging ik eind 1974 terug naar Soedan om werk te zoeken. Ik vond een baan in de stad Juba, als bibliothecaresse. In diezelfde tijd ontmoette ik Alex, de vader van mijn kinderen. We trouwden nog in hetzelfde jaar.

Mijn leven met mijn echtgenoot kende hoogte- en dieptepunten. Hij is een levensgenieter en zodra hij een meisje in het oog kreeg, zorgde hij er wel voor dat ze, hoe ze er ook uitzag, hem niet voorbij kwam zonder een woordje van zijn kant. Het ergste vond ik echter dat hij me onrechtvaardig behandelde door links en rechts kinderen te verwekken bij de vrouwen met wie hij zich ophield en te verwachten dat ik die wurmen zou verzorgen. Ik mocht ook niet studeren. Na negen jaar kon ik zijn gedrag niet langer verdragen, hoewel ik lang geprobeerd heb die gevoelens te onderdrukken. Hij had een nieuwe vrouw getrouwd en schonk aan mij geen enkele aandacht. Ik vertrok, met mijn kinderen. In 1991 besloot hij eenzijdig en onwettig tot scheiding. Dat bericht bereikte me in Khartoem. Ik was daarheen verhuisd omdat ik aangenomen was als student op het Ahfad University College voor vrouwen. En omdat het aantal bombardementen op Juba zo was toegenomen dat ik dacht: ik moet de kinderen in veiligheid brengen.

Ik begon mijn studie landbouwhuishoudkunde en plattelandsontwikkeling in 1991 met een beurs, gekregen op voorspraak van mijn werkgever in Juba. We trokken in bij mijn zwager. Al gauw besloot hij dat we weg moesten, omdat hij te veel mensen in huis had. Ik heb mijn beide dochters naar hun oma in Oeganda gestuurd en een van mijn verwanten om tentdoek gevraagd. Ik vond een kaal stuk muur en toen heb ik die lap gebruikt om een afdak te maken. De rest schermde ik later af met dekens. Ik ging om zes uur 's morgens naar school en kwam 's avonds om zes uur of later thuis. Mijn drie zoons stuurde ik naar middaglessen voor ontheemden, de enig mogelijke scholing voor ons soort mensen.

14 juni 1994. In ons semi-huis hadden we geen lamp om bij te studeren, geen tafel, geen bed, geen eten, het ontbrak ons aan alles. Het nijpendste probleem was het eten en ons vervoer. Ik moest andere mensen inschakelen om het bier dat ik brouwde te verkopen, want op die manier probeerde ik in ons levensonderhoud te voorzien. Ik voelde me ook gedwongen aan te kloppen bij iedere vriendelijke priester die ons een beetje geld kon geven. Zo leefde ik dit armoedige leven, de hele vier jaar dat ik studeerde. Mijn overwinning op al dit lijden kwam op 24 mei 1994, bij de uitreiking van onze diploma's. Nadat de eigenlijke diploma's waren uitgereikt, werden opnieuw die studenten naar voren geroepen die de beste resultaten hadden behaald met hun onderzoekswerk. Ik kreeg nòg een oorkonde. Toen ik naar mijn zitplaats terugliep, riep de directeur van onze universiteit: “Wil je alsjeblieft hierheen komen, je hebt de beker van dit jaar gewonnen voor de meest ideale student van de hele universiteit.” Diverse docenten en studiebegeleiders kwamen me feliciteren. Ik kreeg de beker uitgereikt en heel de mensenmenigte begon voor me te klappen. Iedereen was zo blij dat mijn studiegenoten me op hun schouders namen en ze dansten en ze zongen. Ik was buiten mezelf van vreugde en kon niet geloven dat ik, met alle lasten van verantwoordelijkheid en lijden, in staat was geweest zoveel te presteren en zo'n geschenk te verdienen.

15 juni 1994. Vandaag ben ik met mijn diploma's en getuigschriften naar de Soedanese Raad van Kerken geweest. Ik had gehoord dat er een vacature was voor de functie van Community Educator Tutor (vergelijkbaar met coördinator vormingswerk, red.). Mijn grootste zorg is dat de mensen daar erg vastzitten aan apartheidsdenken en ik ben benieuwd of ik kans krijg me te presenteren.

Vandaag is er ook bij me ingebroken. De dief heeft al mijn kleren meegenomen, alle dekens en de kleren van mijn tweede kind. Ik doe sindsdien niets anders dan verzinnen hoe ik in hemelsnaam nieuwe kleren moet kopen, want mijn economische positie is bepaald niet stevig. Met lesgeven verdien ik wel iets, maar dat is maar net genoeg om ons in leven te houden, ik houd niets over voor kleren. Ik hoop dat God me snel een nieuwe baan geeft, zodat ik niet steeds afhankelijk ben van wat ik via de kerk bij elkaar kan bedelen.

22 juni 1994. Vanmorgen moest ik met de bus naar Khartoem om les te geven. Het is heel moeilijk om vervoer te krijgen, er zijn altijd meer passagiers dan bussen. Uiteindelijk lukte het me, maar toen wilde de chauffeur niet gaan rijden, omdat er te veel mensen in de bus zaten.

Net achter de chauffeur zaten drie mannen op één stoel. Een van hen droeg een legeruniform. Die man stond op en zei tegen ons dat volgens de wet iedereen die als nummer vier en vijf op een stoel zat, de bus moest verlaten. Toen zei ik: “Volgens de wet moeten u en uw twee kameraden ook uit de bus, want de stoel waarop u zit is helemaal niet bedoeld voor passagiers.” Toen zei hij dat hij niet met een vrouw wilde praten en dat hij het tegen de mannen had. Maar ik zei: “Er zitten hier mannen en vrouwen in de bus en dit gaat ons allemaal aan. En als u de bus niet verlaat, dan gehoorzaamt u niet aan de wet waar u zich op beroept. Juist als man van het leger zou u die wel serieus moeten nemen.” Toen gaf hij de chauffeur opdracht naar een politiebureau in de stad te rijden. Daar stapte hij uit en hij kwam terug met een politie-agent en ik kreeg het bevel om uit te stappen. Ik weigerde. Hij haalde er een officier bij die een geweer bij zich had. Ik weigerde. Daarop dwongen ze de chauffeur om de bus op de binnenplaats van het politiebureau te parkeren en ze besloten om er een politieman uit het zuiden bij te roepen. Toen besloot ik uit te stappen. Ze vonden dat ik toch mijn excuses moest aanbieden omdat de man een legeruniform droeg en ik dus niet had mogen twijfelen aan zijn recht van spreken namens het wettelijke gezag. Omdat ik die middag een afspraak had en dus weg wilde, heb ik dat gedaan. Toen mochten we allemaal gaan, ook de chauffeur.

26 juni 1994. Wat me bezighoudt zijn de Arabische kinderen aan wie ik lesgeef. Ze houden van me, terwijl hun ouders me met gemengde gevoelens bejegenen. Soms stellen de volwassenen me vragen over de oorlog. Gewoonlijk zeg ik dat ik geen politica ben en dat ze me zulke vragen dus niet moeten stellen. Op een dag vroeg een klein meisje me: “Mary, ben jij een moslim?” Ik zei: “Nee, ik ben een christen.” Toen zei ze: “Je moet maar moslim worden, dan kunnen we samen naar de hemel, want ik vind jou heel lief.”

30 juni 1994. Op bevel van het huidige ministerie voor islamitische zaken zijn de eerste vier stoelen in iedere bus of een ander transportmiddel gereserveerd voor vrouwen. Dat betekent dat er niet meer dan tien vrouwen mogen zitten en de rest moet staan. Maar alle ruimte achter de stoelen is bestemd voor mannen en verboden voor vrouwen. De bedoeling van deze wetgeving is om de vrouwen van de mannen te scheiden volgens de islamitische opvattingen. De meeste vrouwen gehoorzamen deze wet omdat ze tot slaafsheid zijn opgevoed en ondanks het feit dat hij onrechtvaardig tegenover ons is.

Afgelopen dinsdag waren er minder vrouwen dan mannen toen we van het busstation vertrokken. Maar onderweg zouden er zeker vrouwen bij komen. Toch ging een oudere Arabische man vlak voor me zitten, naast een Arabische vrouw. Ik zat achter hen, op de laatste stoel voor vrouwen. Een paar haltes verder stapte een vrouw in, maar hij maakte geen plaats, hoewel de chauffeur hem maande. Bij de volgende halte kwam er weer een vrouw binnen. Toen de oude man zag dat ze Arabisch was, stond hij meteen op en bood haar zijn plaats aan. Onmiddellijk stond ik ook op en zei tegen de vrouw die eerder was binnen gekomen dat ze mijn stoel kon gebruiken. Deze vrouw was een zuiderlinge, net als ik. Ik vroeg die ouwe waarom hij niet voor haar wilde opstaan en wel voor een Arabische. Omdat ze een zuiderlinge was soms? Op dat moment werd iedere zuiderling in de bus kwaad, mannen net zo goed als vrouwen en ze begonnen de man uit te schelden. Zulke dingen gebeuren steeds vaker, de spanning stijgt. Arabieren noemen ons publiekelijk 'abit', wat slaaf betekent of 'kufar', iemand zonder godsdienst.

15 september 1994. Afgelopen juli heb ik gesolliciteerd naar de functie van wijkopbouwwerkster bij Okeyden Venture. De standplaats is Port Soedan. Toen de 'shortlist' (de lijst met namen van de kandidaten voor de eerste ronde, red.) uitkwam, kwamen er uiteindelijk maar twee mensen voor een eerste gesprek opdagen, een Arabische vrouw en ik. De mannen hadden zich allemaal teruggetrokken omdat ze het salaris te laag vonden. Na een week konden we terugkomen om de uitslag te horen. We bleken allebei in aanmerking te komen en kregen allebei de benodigde formulieren in te vullen en we moesten er ook een aantal pasfoto's aan vasthechten. Toen we alles in orde hadden, werd ons gezegd dat we binnen een week zouden moeten vertrekken. Maar ik hoorde niets en ben teruggegaan. “Binnen een maand,” was het toen. Tenslotte zeiden ze dat ze die vrouw al hadden gestuurd en dat ik niet meer op die baan hoefde te rekenen. Hoe ik me toen voelde, kan ik niet beschrijven. Ik wilde hen verrot schelden, maar ik moest mijn woede bedwingen. Ik had allemaal nieuwe gezichten voor me, mannen met baarden, wat betekent dat de oude werkgevers bij wie ik gesolliciteerd had, vervangen waren door fundamentalisten. Het hele systeem van werkverschaffing valt nu onder de islamitische wetgeving, die niet-moslims uitsluit. Zulke ervaringen, dat je gewoon weggevaagd wordt, delen veel zuiderlingen met elkaar, hoewel ze net zo goed inwoners van dit land zijn. Je bestaan, alles waarin je gelooft en waar je waarde aan hecht, wordt eenvoudigweg ontkend.

5 oktober 1994. Vandaag heeft een Arabische familie me ontslagen. De heer des huizes ontloopt me en heeft nog nooit tegen me gepraat. Zijn vrouw Zenaib is wel altijd vriendelijk voor me, maar ik weet niet hoe ze achter mijn rug over me praat. Hoe dan ook, die man droeg zijn vrouw op aan mij te vertellen dat het afgelopen was met mijn Engelse lessen aan zijn vijf kinderen. Ik was niet verbaasd, ik verwachtte dat ik niet terug zou komen. Ze bleven maar aan hun moeder vragen waarom ik weg moest en hun moeder zei: “Jullie vader zei dat het te vermoeiend voor jullie was en dat jullie rust nodig hebben.” Een van haar zoons, Tijani, schreeuwde: “We zijn helemaal niet moe, we willen dat Mary ons les blijft geven.” Toen ik wegging, plukten de kinderen bloemen uit hun tuin en gaven die aan mij. Ze pakten mijn handen vast en hingen aan mijn rok en liepen tot aan de poort met me mee. Daar gaf ik hen allemaal een hand, maar het handenschudden hield maar niet op en ik moest me echt lostrekken om weg te komen. Toen ik de poort achter me sloot, hoorde ik de jongste huilen.

15 november 1994. Vandaag stond half Khartoem op z'n kop. Tot nu toe vertrokken alle bussen naar de stadsrand en naar de verder gelegen dorpen, waar voornamelijk arme mensen wonen, vanuit het centrum van de stad. Van de ene dag op de andere zijn deze busstations ruim een kilometer verplaatst, weg uit het centrum. Van huis naar een bushalte lopen was al zo'n afstand, nu komt daar het stuk tussen werk en bushalte nog bij. Iedereen keek chagrijnig en liep te mopperen op de regering. Overal zijn de straten overvol, ze zien eruit alsof er kuddes en kuddes schapen doorheen trekken, zoveel stof werpen al die voetgangers op.

9 december 1994. Vandaag ben ik met mijn kinderen weggejaagd van de grond waarop we woonden. De eigenaar, een Arabier, kwam rond negen uur 's morgens binnen, met zijn broer. Hij zei dat de gemeenteraad deze grond en die van zijn buren heeft gevorderd omdat die bedoeld was voor de bouw van lagere scholen. Die afspraak zou ooit zijn gemaakt zonder de eigenaars te informeren. De waarheid is dat een noorderling en een zuiderling, hoe vriendelijk ze ook met elkaar omgaan, altijd een zeker wantrouwen en een zekere haat tegenover elkaar blijven voelen. Noorderlingen geven ons de schuld van de oorlog en zeggen dat we hen verhinderen het ware geloof te verbreiden. In werkelijkheid zijn ze bang dat ze geen zeggenschap zullen krijgen over de rijkdommen van het zuiden. Een zuiderling beschuldigt noorderlingen van achterstelling, onderdrukking, gedwongen bekering, landroof en misdaden tegen de eigen bevolking. Mijn kinderen moesten de hele dag buiten in de hete zon blijven, terwijl ik op zoek ging naar een ander onderkomen voor onze schamele bezittingen en naar transport. Dat lukte niet vóór 's avonds negen uur. Het was toen erg koud en er stond een krachtige wind. We hebben een heel harde tijd gehad, ik zal me deze dag nog vaak herinneren.

mailIcon print |