*

 
dossier

Archief

Nico Steffen ploos de traditie uit: Bernard Haitink houdt het record

PETER VAN DER LINT − 08/02/97, 00:00

Bruckner en het Kon. Concertgebouworkest. Uitg. THOTH. ¿ 59,50. Inclusief cd met Bruckner 5 o.l.v. Eduard van Beinum.

Een wat vreemde titel, omdat daarin voorondersteld wordt dat Bruckner een relatie had met het Concertgebouworkest. Niets is minder waar; Bruckner is - naar alle waarschijnlijkheid - zelfs nooit in Nederland geweest. Een omdraaiing van de titelgegevens zou logischer zijn geweest.

Het boek is onderverdeeld in vier grote hoofdstukken. In het eerste wordt aan de hand van artikelen van Michaël Zeeman, Cornelis van Zwol en Hans Ferwerda de persoon Bruckner geportretteerd. In het tweede en grootste hoofdstuk wordt de Bruckner-traditie in Nederland in kaart gebracht. Van Zwol beschrijft de geschiedenis vóór de oprichting van het Concertgebouworkest (1888). Het leeuwenaandeel van dit hoofdstuk, onderverdeeld in drie tijdsperioden, wordt gevormd door de bijdrage van Nico Steffen. Zijn uitvoerige artikelen in publicaties van de Internationale Bruckner Gesellschaft vormen de basis voor de inventarisatie en commentaren die hij, onder meer aan de hand van recensies, samenstelde over de Bruckner-uitvoeringen vanaf 1888 tot heden.

In het derde hoofdstuk staan drie grote interviews met respectievelijk Riccardo Chailly, Bernard Haitink en Kurt Sanderling. In het laatste hoofdstuk gaat Van Zwol uitvoerig in op alle Fassungen van de Bruckner-symfonieën en voegt Steffen een discografie van Bruckner en het Concertgebouworkest toe. Daarna heeft Steffen zijn onderzoek nog prachtig in schema's gevangen, zoals een chronologisch overzicht van alle Bruckner-uitvoeringen door het Concertgebouworkest; dat overzicht is ook uitgeplozen op dirigent en op symfonie. De laatste pagina toont in een matrix in één oogopslag hoeveel keer een symfonie in Amsterdam is uitgevoerd en welke dirigent de meeste Bruckners deed.

Zelfs Kes

Bernard Haitink staat daarin ver bovenaan met 167 uitvoeringen, gevolgd door Eduard van Beinum met 151 en Eugen Jochum met 76. Riccardo Chailly staat inmiddels op 69 uitvoeringen en Willem Mengelberg die ooit zei: “Die muziek dirigeer ik toch niet graag!” heeft toch nog 46 keer een Bruckner-symfonie in Amsterdam gedirigeerd. En zelfs de allereerste chef-dirigent, Willem Kes, staat in de lijst: één keer met de derde symfonie, in 1892.

Als terzijdes staan op diverse pagina's uitspraken van orkestleden over Bruckner. Tubaspeler Donald Blakeslee wijst op het belang van Eduard van Beinum in onze Bruckner-traditie: “Zonder Eduard van Beinum was het misschien nooit aan het licht gekomen dat wij zo'n verwantschap met Bruckner hebben. Heel veel orkesten hebben een afkeer van Bruckner, zij herinneren zich Bruckner als vervelend.”

Haat-liefde

Een zekere haat-liefde-verhouding blijkt ook binnen het Concertgebouworkest aanwezig. Cellist Joep Straeser: “Er zijn zoveel aanlopen die tot niets leiden.” Violist Jean Louis Stuurop: “Als de sfeer er niet is, kom je er haast niet doorheen.” Fluitist Paul Verhey: “Ik vind het muziek van een oude heer die wat vergeetachtig wordt en aldoor hetzelfde vertelt.”

Interessant is het commentaar van violist Wim van Keulen op de bijdrage van Riccardo Chailly aan de Amsterdamse Bruckner-traditie: “Met zijn vernieuwende benadering levert Chailly een belangrijke bijdrage aan een interpretatieve herijking van dit repertoire. Het niet clihcématig toepassen van het strijkers-tenuto, het tot de juiste proporties terugbrengen van de invloeden van Wagner (...) en een meer dynamische frasering doen deze partituren meer recht dan menige traditionele uitvoering.”

Favoriet bij Mengelberg waren de Negende en de Vierde die hij respectievelijk 11 en 10 keer dirigeerde. Haitink prefereerde de Negende en de Zevende (35 en 34 keer), Van Beinum de Zevende (43 keer - de Tweede en Zesde dirigeerde Van Beinum nooit in Amsterdam) en Jochum de Vijfde (21 keer).

Veruit het populairst in Amsterdam is de Zevende, die sinds 1910 118 keer op de lessenaars stond, gevolgd door de Negende (91 keer sinds 1908) de Vijfde (88 keer sinds 1918), de Derde (87 keer sinds 1892) en de Vierde (ook 87 keer sinds 1897). De studie-symfonie in f-klein (de zogeheten Dubbel-Nulde) werd door het Concertgebouworkest nooit gespeeld; wel de zogeheten Nulde Symfonie (één keer). Het valt in dit overzicht op dat de Zesde pas in 1930 voor het eerst tot klinken kwam en sindsdien maar veertig uitvoeringen beleefde.

mailIcon print |