*

 
dossier

Archief

Alarmfase 1 op de kinderboerderij

KOERT VAN DER VELDE − 03/04/98, 00:00

AMSTERDAM - Bij kinderboerderij De Strohalm in Amsterdam is het alarmfase één. Normaliter lopen de zeventien geiten en dertien schapen ook 's nachts buiten. Maar de nachten voor het islamitische slachtfeest moet alles wat op vier poten loopt naar binnen. “Elke boerderij waar de beesten buiten blijven moet voorzorgsmaatregelen nemen,” zegt beheerder Co Blanken. “Toen we het eerst niet deden verdween er wel eens een schaap.” Voor kerst gaan bij De Strohalm de kalkoenen achter slot en grendel.

Bij kinderboerderij Gliphoeve, ook in Amsterdam, 'valt het wel mee', verzekert de beheerder. “De schapen staan samen met de pony's achter een flink hek. Til daar maar eens een schaap overheen.” Met kerst heeft de Gliphoeve evenmin een probleem. “Er verdwijnen wel eens wat kippen, maar er komen d'r ook wel eens wat bij.”

Ook de stadsboerderijen in de Haagse Schilderswijk zijn extra waakzaam. “Hier is nog nooit wat gestolen. Bij andere boerderijen wel,” zegt een medewerker van de Jacobahof (drie schapen, zes geiten). “Voor de kerst zijn geen maatregelen nodig, wel voor het slachtfeest. Een beetje schaap kost 600 gulden. Dat loont de moeite. Onze dieren gaan dus naar binnen.” Beheerder Silvia van de Berg van de Schilderhoeve laat haar vijf schapen echter gewoon buiten lopen. “Want een gestolen schaap is volgens de islam ongeldig. Mocht er toch iets gebeuren dan is er altijd nog de sociale controle in onze buurt.”

Zou de rechtvaardige God zich - in de visie van de anonieme gelovigen - een gestolen schaap even goed laten smaken als een gekocht schaap? “Het menselijk handelen is vol contradicties,” relativeert W.A. Shadid, hoogleraar interculturele communicatie aan de universiteit van Leiden. “Volgens mij is het een mythe, te ver uitvergrote werkelijkheid. Net als de verhalen over ritueel slachten in badkuip of trappenhuis. Deviant gedrag van een enkeling wordt opblazen tot typerend voor de groep, en tot angstbeeld.”

Toch toont dit soort berichten meer dan alleen de neiging van niet-moslims om te stereotyperen. Het stelen van een schaap voor het slachtfeest laat ook iets zien van de manier waarop de klassieke morele waarden van moslims onder druk kunnen staan.

Eenzelfde probleem doet zich voor bij randgroepjongeren van islamitische komaf. De enkele onderzoeken die hiernaar zijn gedaan geven een ontnuchterend beeld. Contactambtenaar A. Hasnouwi interviewde onder begeleiding van de Universiteit van Utrecht tachtig Marokkaanse randgroepjongeren in Amsterdam en Amersfoort. Allemaal noemden ze zich moslim, geen van hen bezocht ooit een moskee.

Belgisch onderzoek bevestigt dit. Universitair hoofddocent P. Hermans heeft in Brussel vier jaar lang enkele tientallen Marokkaanse randgroepjongeren gevolgd, en meent daarmee een representatief beeld te kunnen geven. “Meestal noemden ze zich voor honderd procent moslim. Ze waren trots te behoren tot de enige ware godsdienst.” Hij merkt op dat deze jongeren zowel de waarden van de islam als die van de dominante cultuur slechts gedeeltelijk meekrijgen. “Zij spotten met jongens waarvan ze wisten dat ze baden. Onder elkaar werd er weinig over godsdienst gepraat en gezamenlijke religieuze activiteiten hadden er in het geheel niet plaats. De kennis en het inzicht van deze jongens in hun godsdienst beperkt zich tot de grote principes, dogma's en algemene plichtenleer en is verder fragmentarisch. De spirituele, historische en culturele dimensie van de islam ontgaat hen grotendeels.” Dit laatste geldt volgens Hermans trouwens ook voor goed opgeleide Marokkaanse jongeren. Veel randgroepjongens hechten volgens Hermans geloof aan demonen en magie, maar ook hiervan is hun kennis zeer fragmentarisch.

Ook de bekendheid met de westerse cultuur en waarden is hen alleen fragmentarisch bekend. Hermans: “In hun ogen laat men in het Westen veel te veel vrijheid toe, genieten ouders geen repect, hebben de vrouwen het voor het zeggen en is op het gebied van seksualiteit alles mogelijk. Omwille van dit verschil in waarden is de islam de beste godsdienst.”

Het grootste deel hield zch aan geen enkele religieuze verplichting. “De meesten dronken regelmatig alcohol en geen enkele jongen deed zijn vijf dagelijkse gebeden. Slechts 34 procent vast tijdens de ramadan.” Tegelijkertijd, constateert Hermans, vindt geen van deze jongens de voorschriften uit de tijd. Integendeel, ze zien ze als bewijs voor de degelijkheid van hun religie. Dezelfde dubbelheid zie je dus ook bij het slachtfeest.

Moslimschap lijkt voor deze jongeren vooral een groepsidentiteit. Religieuze afkomst past in een rijtje gelijkwaardige grootheden Marokkaan, ajaxfan, moslim, stamgast van coffeeshop Happy. Wie erbij hoort is een vriend. Moslimschap als - a-religieuze - groepstotem in een geseculariseerde samenleving.

Neem de jonge Marokkaan, gekleed in een roze glimmend trainingspak en met mobiele telefoon, die onlangs vergezeld door twee vrienden de wasserette ergens in Amsterdam-West binnenkwam. Hij was boos. De eigenaar, een Javaanse moslim, had een week eerder chèques in zijn wasgoed gevonden die gestolen leken. De jongen was net weer op vrije voeten en kwam verhaal halen. “Wat maak je me nou man,” brieste hij. “Jij bent toch ook een moslim? Moslims verlinken elkaar niet.”

mailIcon print |