Het woord vindt hij niks. Onthaasting, dat doet hem meer denken aan een jagersvereniging dan aan wat minister De Boer ermee bedoelt: eens even tijd nemen om na te denken. Niettemin noemt prof. dr. H. Coenen, hoogleraar in de arbeidssociologie aan de universiteit Utrecht, het pleidooi van de minister zeer de moeite waard. Niet alleen de werknemer zelf, ook de organisatie is er naar zijn mening enorm bij gebaat als er momenten voor reflectie worden ingebouwd. En hij heeft ook wel ideeën hoe dat zou kunnen.
“Het is volkomen logisch dat de minister van Vrom zoiets zegt”, vindt Coenen. “De milieubeweging brengt al jaren de kwalijke kanten van de jachtige samenleving onder de aandacht. Onthaasting is dus juist op De Boers ministerie een sleutelbegrip. Het zegt wat over het werk van de ambtenaren, maar ook over de manier waarop de maatschappij omgaat met tijd en met taken.”
Het heeft de socioloog wel verbaasd dat het betoog van De Boer zo de aandacht heeft getrokken. Met de 'tijdgeest' als verklaring moet je bij Coenen niet aankomen. Hij heeft nooit zo'n idee wat daarmee precies wordt bedoeld. Dat de mensheid met het jaar 2000 in het zicht niet langer alleen meer wil consumeren, wil rennen en vliegen, maar liever tijd inruimt voor enige bezinning op het leven? Coenen moet er een beetje om lachen - en ziet het in zijn omgeving nergens bevestigd.
Als hij er al wat van merkt, dan is het meer een kwestie van generaties dan van tijdgeest. Elk jaar weer krijgt de hoogleraar nieuwe eerstejaars die allemaal even gehaast in de weer zijn met hun studie, hun vrienden, hun bijbaantje, die liefst elke avond willen stappen en lolmaken. Dat is nu niet anders dan pakweg tien jaar geleden. “Als ze eenmaal een baan hebben, gaan er andere mechanismen werken. Dan vragen ze zich af hoe ze dat eens moeten inrichten.”
Plechtig zegt hij dat zo: “Iedere nieuwe generatie heeft een beschavingsoffensief nodig.” Hij noemt het voorbeeld van de invoering van de tachograaf, waarop de rijtijden van vrachtwagenchauffeurs worden bijgehouden. “Dat ging zeer tegen de zin van de jongere chauffeurs. Die willen vrij zijn, terwijl de ouderen zeggen: doe mij maar zo'n ding, want ik heb last van mijn rug.”
'Jong' blijft, in de waarneming van Coenen, synoniem aan 'haast'. Tijdgeest of niet. Toch heeft hij wel een verklaring - maar een gemene, vindt hij zelf - dat De Boers woorden er in gingen als koek. Stiekem namelijk heeft hij het 'kwaaie vermoeden' dat het gewoon prima aansluit bij het gesundenes Volksempfinden: “Dat vind ik zelf ook al een rotwoord, maar ik bedoel daarmee een diepgevoelde overtuiging waar mensen niet te lang over na hoeven te denken, omdat ze het zelf ook zo ervaren. Het is de permanente dwang dat de werkgever zegt: doe liefst honderd taken, terwijl je weet dat je ze veel beter zou uitvoeren als het er maar zeventig waren.”
Persoonlijk ervaart Coenen die dwang ook. Was de universiteit vroeger een bolwerk waar de hele dag werd nagedacht ('en daar kwam soms een heel leven lang niets uit'), nu moet een hoogleraar zoveel mogelijk publiceren, en zorgen dat zijn werk zo hoog mogelijk op de citatenlijst komt te staan. Op zich is een beetje druk ook voor de medewerkers van de universiteit niet slecht, vindt Coenen. Maar het moet niet te dol worden.
Zelf heeft hij wel een methode gevonden om zich aan de terreur te onttrekken. “Ik bescherm me als volgt. Af en toe ga ik twee weken niet naar de universiteit. Dan ga ik lezen. Als ik dat niet doe, kom ik gewoon niet toe aan de nieuwste kennis die je tot je moet nemen.”
Tijdens die weken is de hoogleraar onbereikbaar. Een telefoonnummer laat hij niet achter. Daar schaamt hij zich helemaal niet voor. Hij gaat alleen weg in periodes waarin hij geen college hoeft te geven. Hij regelt het zo dat zijn managementtaken er ook niet onder lijden. Eens per week meldt hij zich bij het secretariaat. Als er onvoorziene dingen zijn, handelen hij en zijn secretaresse naar bevind van zaken. “Ja, die vrijheid is een voorrecht”, erkent Coenen. “Er zijn weinigen die dat zo kunnen doen. Maar het is ook noodzaak. Anders wordt het allemaal hap-snap.”
“Het is wel grappig dat een werkgever dit nu zegt”, vindt de in arbeidsvraagstukken gespecialiseerde socioloog. Dat werkgevers niet voorop lopen in pleidooien om korter te werken en het op gezette tijden eens even wat rustiger aan te doen, kan hij wel begrijpen. “Ondernemers zijn immers in principe uit op een zo rationeel mogelijke organisatie. Het probleem is ook dat een arbeidsovereenkomst eigenlijk een contract is over de verkoop van tijd. De werknemer verkoopt tijd, de werkgever koopt tijd. En de werkgever wil in die gekochte tijd zo veel mogelijk taken laten uitvoeren.”
Toch zouden ondernemers er volgens Coenen goed aan doen het bedrijf zo in te richten, dat er voor het personeel ruimte ontstaat af en toe eens even wat afstand te nemen, zaken te laten bezinken, dingen te overdenken. “De baas krijgt er frissere werknemers door. Werken is nu topsport voor topatleten”, zegt Coenen de vakcentrale FNV na. “De rest valt uit of staat te boek als een minkukel.”
“Maar een bedrijf wordt niet alleen gemaakt door klantvriendelijkheid. Of een bedrijf goed loopt, wordt ook bepaald door de mate waarin mensen de vrijheid krijgen om iets van zichzelf in hun werk te stoppen. Ik ben ervan overtuigd dat dat de arbeidsproductiviteit ten goede komt. Er zijn voorbeelden van bedrijven die na het invoeren van arbeidstijdverkorting een hogere productie haalden. Met dezelfde mensen, die hetzelfde werk bleven doen tegen hetzelfde loon. Ze werden echter beter gemotiveerd, en leverden daardoor een betere prestatie.”
Volgens Coenen kan het werk in veel bedrijven en instellingen zo worden ingericht dat collega's om beurten eens even wat afstand kunnen nemen van het dagelijks produceren. “Je moet teams instellen die een aantal taken moeten vervullen. Binnen die teams moeten die taken rouleren, zodat om de beurt iemand de gelegenheid heeft om wat na te denken, bijvoorbeeld om in alle rust een oplossing te vinden voor een probleem waar het team tegenaan loopt.”
“Dat betekent nogal wat voor een organisatie. Om bij minister De Boer te blijven: ze zou de opzet van haar departement behoorlijk moeten wijzigen. Maar ik zou graag zien dat ze met een deel van het ministerie daarmee experimenteert.” Hij heeft wel een idee hoe de ambtenaren hun 'vrije' werktijd kunnen invullen: “Laat ze eens kijken in het buitengebied wat daar te doen valt. Dat zou een enorme cultuuromslag zijn.”
VERVOLG OP PAGINA 2
ONTHAAST! VERVOLG VAN PAGINA 1
Minister De Boer (Vrom) sprak voor de kerst met een groepje jonge ambtenaren en constateerde dat die met overvolle agenda's zaten, zowel privé als zakelijk. Deze week hield zij haar medewerkers tijdens haar nieuwjaarstoespraak voor, dat zij meer tijd moeten nemen om na te denken, oftewel, ze moeten onthaasten. De hoogleraar arbeidssociologie Coenen is het volledig met haar eens. Werken is topsport, zegt hij. Het moet nodig weer een amateursport worden.
Coenen is er wel een beetje bang voor dat dat niet helemaal de bedoeling is van minister De Boer. “God verhoede dat ze de tijd gebruiken om allerlei blauwdrukken te maken, die het idee geven dat de wereld vanuit Den Haag te bakken is. Dat ze boeken gaan lezen, prachtige plannen maken en die vervolgens allemaal over ons heen storten.”
De hoogleraar realiseert zich dat zijn versie van onthaasting niet van toepassing kan zijn op alle soorten werk. “Het geldt natuurlijk niet voor werk dat alleen bestaat uit het simpel aandraaien van een nippeltje aan een auto. Maar het is wel aan de orde bij wat ingewikkelder werk, waarbij ook creativiteit wordt gevraagd van de mensen. Het maakt ook uit hoe hoog je in de organisatie zit. In de ene positie heb je invloed op je eigen werktijden en zeg je makkelijker: 'nu maar even niet' dan in de andere positie.”
Volgens de hoogleraar - zoon van een Limburgse mijnwerker - zal dat verschil altijd blijven. “Er zal altijd een scheidslijn zijn tussen werk dat je persoonlijkheid ondersteunt en gewoon vuil, vies, hard werk, dat je alleen maar doet omdat je geld moet verdienen. Voor dat soort werk hoef je mischien niet zoveel na te denken. Maar het is wel van belang dat er voldoende tijd is om te herstellen, ook tijdens het werk. In de pauze met kameraden over Feyenoord praten, dat geeft structuur aan het leven. Natuurlijk, bij zoiets als de reinigingsdienst, met een sterke organisatiegraad, is dat goed geregeld. Maar er zijn nogal wat bedrijven waarin vooral rotwerk wordt gedaan. Daar krijg je heel moeilijk een vinger achter. Lees Günther Walraff en Stella Braam er maar op na. Wat mij betreft doen we er met behulp van de technologie alles aan om dat rotwerk in elk geval zo veel mogelijk terug te dringen.
Blijft de vraag: hoe erg is het om tijdens het werk te produceren, en thuis - of in de file, volgens Coenen hèt meditatiemoment van deze tijd - eens een aardig ideetje te bedenken voor de volgende werkdag? Coenen: “Als je leuk, interessant werk hebt, is het helemaal niet zo erg om daar in je vrije tijd soms in gedachten mee bezig te zijn. Maar als je rotwerk doet, als je het slecht naar je zin hebt? Dan heb je een indringer in je huis.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.