AMSTERDAM - Wrok voelt hij niet. Waarom zou hij? “Met zelfmedelijden kom ik niet verder. Bovendien heeft de affaire mijn eigenwaarde niet aangetast. Een conflict met een speler zou me meer hebben aangegrepen. Dit was gewoon wanbestuur, de rechter heeft mij in het gelijk gesteld.” Een nuchtere, calculerende slotsom. Hoe anders waren de voorbije maanden.
Tennis heet een beschaafde sport te zijn, zowel op de baan als ernaast. Maar bij een hoog oplopend arbeidsconflict helpt geen herenakkoord, champagne of elitair gebabbel. Aangetaste eer en ordinair geldelijk gewin veranderen ook keurige maatpakken - normaliter begaan met het imago van de sport - in koppige relschoppers. De onenigheid culmineerde in een rechtszaak. Het zoveelste debacle voor de tennisbond. Stanley Franker versus de Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond (KNLTB) onder aanvoering van voorzitter Ruurd de Boer. Twee uit elkaar gegroeide maatjes, beíden in driedelig grijs.
De rechtbank bepaalde maandag dat de bond Franker een schadevergoeding van een half miljoen gulden moet betalen, omdat het bestuur te weinig heeft gedaan om een passende werkkring voor de Amsterdammer te vinden. Franker (51) nam in april 1997 na de Davis Cup-wedstrijd tegen de Verenigde Staten in Newport Beach na elf jaar afscheid als bondscoach. “Ik was het reizen moe.” Met de bond had hij de afspraak dat er een marketing- en promotiefunctie voor hem in het verschiet lag.
Over de invulling van de baan liepen de meningen echter uiteen: een stemloze ambassadeur of een supervisor op technisch gebied? Een zakelijk geschil, waaraan een machtsspelletje ten grondlag lag. Franker, bijna vergroeid met de touwtjes, voelde er niets voor geruisloos naar de coulissen te verdwijnen. De ex-directeur sportief: “Als je de bond gaat verkopen, moet je achter het product staan. Dat kan alleen als je het ook maakt. Zij boden me daarentegen een adviseursfunctie aan, waarbij ik aan drie mensen zou moeten rapporteren. Als je rottigheid wilt, moet je een dergelijke onduidelijke situatie creëren. Zo heb ik nog nooit gewerkt. Ik ben geen marionet.”
Tegenspraak
Zo vriendelijk als Franker bij binnenkomst de barman van zijn Amsterdamse stamcafé begroette, zo streng spreekt hij nu. De geboren Surinamer duldt geen tegenspraak. Een tevreden uitstraling: de man heeft het met zichzelf getroffen. Hij nipt vergenoegd van zijn verse jus d'orange. Relaxed onderuit gezakt, ogenschijnlijk zonder zorgen. Franker is overtuigd van zíjn gelijk. Altijd geweest, getuige de ontelbare botsingen met journalisten. En daarin nog eens gesterkt door de recente juridische uitspraak.
De gang naar de rechter bleek niet te voorkomen. Ook een laatste poging van de bond om de uitzichtloze patstelling te doorbreken - eenzijdig het contract opzeggen - was tevergeefs. Franker, laatdunkend: “Het bestuur probeerde zo goedkoop mogelijk van mij af te komen.” Dat mislukte, want de afgezwaaide Davis Cup-captain stelde dat hij een contract voor onbepaalde duur bezat en eiste met succes een afkoopsom. De KNLTB slikt, na het nieuwe bondsbureau dat er nooit kwam en het dramatisch mislukte automatiseringsproject, het zoveelste dure echec van dit jaar.
Eigenlijk kent het gerollebol over straat slechts verliezers. Franker is dan wel een half miljoen rijker, maar een missie armer. “Het geld is een heel klein doekje voor het bloeden. Ik was liever bij de bond gebleven om mijn werk af te maken. Nederland is een tennisnatie geworden, dat was mijn doel toen ik in 1986 aantrad. De tweede ronde, waarin ik de financiële voorwaarden voor het huidige technische beleid wilde creëren, heb ik niet mogen meemaken.”
Stank voor dank? “Toen ik uit Oostenrijk (waar hij drie jaar lang bondscoach was - red.) naar Nederland kwam, was het bestuur allang blij dat iemand zijn nek wilde uitsteken. Het tennis hier stelde absoluut niks voor. Er was geen structuur, geen topspeler, geen idee van wat toptennis inhoudt. Nu betekent het wat en de bondsheren zitten op de voorste rij. Ruim tien jaar heeft de bond mij voor de volle honderd procent gesteund. Maar plotseling willen ze geen volmachten meer geven aan hun werknemers, zijn ze zo bijdehand dat ze het zelf wel kunnen. Ze vergeten echter dat bestuurders geen toppers maken. Ik heb mijn ziel en zaligheid in het werk gestopt. Daarom is het vervelend dat het op deze manier moet eindigen.”
Toch zijn de mooie herinneringen niet vervaagd. Ook de voldoening over het bereikte, is gebleven. Wat te denken van de Davis Cup-cultuur (mede dankzij vier kwartfinale-plaatsen) die sinds het begin van de jaren negentig in Nederland heerst. Ter illustratie: bij zijn debuut, in 1986 tegen Rusland, zaten er slechts 200 toeschouwers in Valkenswaard op de tribune. Bij latere ontmoetingen op vaderlandse bodem met Amerika en Duitsland stroomde het publiek in groten getale toe.
“Dé stimulans was de winst op Spanje in 1993. Vanaf dat moment werd Nederland door publiek en commercie als tennisnatie geaccepteerd. Mark Koevermans (destijds de nummer 155 van de wereld - red.) versloeg op fenomenale wijze Sergi Bruguera. Notabene in Barcelona. Dus wie zegt dat het altijd de tegenpartij is die boven zichzelf uitstijgt? De Nederlandse mentaliteit om waar het maar kan de eigen mensen de grond in te boren, heeft me continu gestoord.”
Zelf heeft Franker zijn portie kritiek ook wel gehad, meent hij. Maar geen verzuchting, oh nee. Op- en aanmerkingen hebben de gewezen vaandeldrager juist strijdlustiger gemaakt. De aanval als beste verdediging. Hij zou al die jaren te emotieloos op de bank hebben gezeten. “Men verwart dat met de situatie beheersen. Als een speler komt zitten, is dat een rustpunt. Dan moet ik niet als een opgewonden standje te keer gaan.”
Vanachter de brillenglazen lijken zijn donkere ogen vuur te spuwen: kom maar op met de volgende lading, schreeuwen ze. Hij zou te vaak 'lekker in het zonnetje' op de Grand Slams hebben gezeten, terwijl er bij de jeugd nog veel te doen was. “Waarom is het dan wel de normaalste zaak dat Guus Hiddink naar voetbalwedstrijden gaat? Als Davis Cup-captain moet ik mijn spelers toch bekijken. Dat is ook werken.”
Ontegenzeggelijk heeft Franker het Nederlandse tennis geprofessionaliseerd en daarmee aan de basis gestaan van vele internationale successen. Maar niet iedereen slikt het dat de 'redder in nood' Richard Krajicek's Wimbledon-zege en de wereldtitel van het dubbel Haarhuis/Eltingh op zijn eigen palmares bijschrijft. Franker zou domweg geprofiteerd hebben van een toentertijd in opkomst zijnde talentvolle generatie.
“Dat is natuurlijk gezwets. Waarom werd er dan gelachen toen ik bij mijn aanstelling zei dat ik van Nederland een tennisnatie wilde maken? Wie was het die nog wel in de al op zestienjarige leeftijd afgeschreven Brenda Schultz geloofde? De hausse aan topspelers is natuurlijk niet alleen mijn verdienste. Dat is ook te danken aan hun privécoaches. Maar ik heb, met behulp van de bond, het klimaat gecreëerd waarin de spelers konden opbloeien.”
Een voorbeeld. De gewoonte om jeugdige talenten alleen op reis te sturen, werd afgeschaft. “Na een verliespartij ver weg overzee loopt een onbegeleide tiener immers al snel met zijn ziel onder de arm. Of hij gaat zonnen of hij zoekt troost bij andere verliezers - een ongewenste vicieuze cirkel. Met een coach erbij, moet en kan de speler direct weer trainen. Veel gestructureerder dus.”
Privé-coaches
De privécoaches - die als eenlingen vaak niet het geld hebben om met ieder talent op stap te gaan - stonden niet te juichen bij dit ambitieuze Jong Oranje-plan (om in groepsverband de wereld te veroveren) van de tennisbond. Nog steeds niet trouwens. Franker: “Wegens de uiteenlopende belangen zullen er altijd spanningen zijn.” Om te voorkomen dat hun broodwinning naar de bond blijft overlopen, onderzoeken vijf grote Nederlandse tennisscholen momenteel de mogelijkheden om samen te werken.
Het is officieel zijn pakkie-an niet meer, maar de toekomst van het Nederlandse tennis stemt Franker somber. “Bij de mannen verwacht ik even een terugslag, maar voor daarna is er potentie. Een Peter Wessels bijvoorbeeld is op deze leeftijd (19) completer dan Krajicek destijds. Bij de vrouwen ontbreekt het echter aan opvolgsters. En aan mentaliteit. Typerend vind ik Kristie Boogert die een rechtszaak tegen de bond is begonnen, omdat ze niet in de finale van de Fed Cup werd opgesteld. Klagen over emotionele schade, terwijl topsport je juist opleidt voor het incasseren van klappen.”
Zijn eigen toekomst ziet er rooskleuriger uit, denkt Franker. Eindelijk een sociaal leven en beroepsmatig - als freelancer wil hij het tennis gaan promoten - ook geen verveling. De organisatie van het gala van de Richard Krajicek Foundation (11 juli) wacht en plannen zijn in de maak voor Challenger-toernooien op vaderlandse bodem, waarvoor overigens de ondersteuning van de nationale bond een vereiste is. “Ik hoop dat mijn breuk met de KNLTB het Nederlandse tennis niet schaadt. Maar ik neem aan dat de bestuurders verstandig genoeg zijn om mij niet weer dwars te zitten. Anders volgt een nieuwe schadeclaim. De meeste coaches kunnen morgen bestuurder worden, andersom geldt dat niet. Zo moet je de verhouding zien. Als Nederland succesvol wil blijven, moet de bond zich als een voorwaardenscheppend orgaan gaan gedragen. Niet de baas willen spelen over de technische staf. Baas-knecht-verhoudingen zijn dodelijk voor inzet en creativiteit en dus vernietigend voor topsport.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.