*

 
dossier

Archief

Au, au, au, bengbeng, pokpokpok

ANDREA BOSMAN − 01/02/97, 00:00

Als het aan Jackie Chan, de eregast van het Filmfestival Rotterdam, ligt, gaat Rotterdam een rol spelen in een van zijn volgende films. Hoe serieus de plannen van de grootste ster van de Hongkong-cinema wérkelijk zijn, maakt eigenlijk niet zoveel uit: het is erg amusant om Chan met zijn aanstekelijke mimiek te zien vertellen hoe een achtervolgingscène zal eindigen op de Erasmusbrug - in opengeklapte toestand natuurlijk.

Chan heeft vernomen dat op de onderkant van de brug films zullen worden geprojecteerd, inderdaad een Rotterdams idee dat tot nog toe niet in de praktijk is gebracht. “Ik zet de auto neer op de brug, de achtervolgers komen achter me aan, ik klim naar boven en dan komen we allemaal in die film terecht, waar op dat moment ook een vechtscène te zien is. Het publiek beneden denkt 'Whaaa, wat gebeurt er?', ineens worden de figuren uit de film echt”

Natuurlijk zullen ook klompen een rol spelen. Chan kiest voor de aardige Hollandse symbolen: geen drugs of prostituées, maar gezellige wooden shoes. “Ik word geschopt door een grote, zware kerel, ouch!, het doet zeer, hij voelt niets van mijn klappen. Ik vlucht weg, ren langs een rek met klompen, trek die aan, bengbengbeng... ook dat geluid is heel erg goed... er komen nog meer kerels, ik vlucht een bibliotheek in, iedereen roept 'Sssssh' en dus ga ik verder op m'n tenen, pokpokpok... Denk je dat het een goed idee is?”

De ideeën springen als witte konijnen uit een goochelaarshoed. Zijn rappe betoog in hakkend Engels gaat gepaard met alle bijbehorende gebaren en gezichtsuitdrukkingen. Het klinkt naar stripverhaal-actie en dat zijn de films van Chan dan ook een beetje, cartoon-achtig. Wie al eens een Jackie Chan-film gezien heeft - en wie durft dat na het filmfestival nog te ontkennen? - kan zich deze scènes levendig voorstellen. Chan is niet alleen acteur en stuntman, maar ook zijn eigen scenarioschrijver en regisseur. Hij is de meester van het door hemzelf gecreëerde genre actiefilm dat nog het best omschreven kan worden als een combinatie van Kung Fu, actie en slapstick.

Chan omschrijft het zelf als volgt: “I like tough like Stallone, comedy like Chaplin, stunts like Keaton and fight like Gene Kelly.” Hij speelt steevast de sympathieke, tikkeltje naïeve anti-held, die zich met zijn fenomenale vechttechniek en duizelingwekkende stunts uit de benardste situaties weet te redden. Maar zijn films zijn bedoeld voor het hele gezin, benadrukt hij, inclusief kinderen. Er vallen geen bloederige doden, er zijn geen heftige seksscènes te zien. Wel enorm spectaculair stuntwerk, waar Hollywood nog een puntje aan kan zuigen, zegt Chan niet zonder trots. Hij gaat er prat op om - nog steeds - al zijn stunts zelf te doen, zijn films eindigen steevast met aan elkaar geplakte bloopers, waarin te zien is hoeveel risico's Chan en zijn stuntmensen nemen. Geen bot in zijn lijf of hij heeft het al eens gebroken.

Vijfentwintig minuten zijn gereserveerd voor het interview in de penthouse-suite van het Parkhotel, met uitzicht op de skyline van Rotterdam. Chan, in het echt net zo innemend als in zijn films, zit dezer dagen in een strak schema van interviews, feestjes, recepties, rondvaarttochtjes door de haven. De organisatie van het filmfestival laat geen gelegenheid onbenut om Chan's aanwezigheid te promoten. Donderdag gaf hij een persconferentie in de Rotterdamse schouwburg, daarna werd Chan ontvangen door burgemeester Peper, die hem in plaats van een benoeming tot 'buitengewoon burger' met twee boeken en een pen moest afschepen. Op het laatste moment bleek dat die titel niet bestond.

Maar Chan blijft overal vriendelijk bij lachen. De man die in Azië meer dan een miljard fans heeft, vindt het niet erg dat hij in Nederland nog moet uitleggen wie hij is. Nu, op zijn 42e, begint zijn roem uit te dijen naar andere delen van de wereld, in de Verenigde Staten en ook in Zuid-Amerika is zijn ster enorm gerezen. In Nederland waren tot op heden slechts enkele van zijn films - waaronder 'Rumble in the Bronx' - in de bioscoop te zien. Afgezien van de in Nederland wonende Chinezen en een handjevol andere liefhebbers, hebben maar weinig mensen van hem gehoord. “Het Chinese publiek is over de hele wereld verspreid, ook hier in de Chinese gemeenschap weten ze wel wie Jackie Chan is. De Chinese gemeenschap in Rotterdam kan mij enorm helpen. Als een Chinese jongen een Nederlandse vriendin heeft, kan hij haar meenemen naar een film van mij, zodat nóg meer mensen mij leren kennen.” Chan steekt zijn ambitie niet onder stoelen of banken: nog meer publiek, dat is zijn ultieme doel. Hij houdt er van om bekend te zijn.

Jackie Chan werd door zijn ouders op z'n 6e naar de operaschool in Hongkong gestuurd, waar hij onder streng regime leerde vechten en acteren. In de hoogtijdagen van de Kung Fu-film belandde Chan in de filmindustrie en werd de stuntman van Bruce Lee. Na diens dood in 1973 werd Chan als zijn opvolger gelanceerd, een mislukte operatie, omdat er inmiddels talloze Bruce Lee-klonen waren opgestaan. Nadat hij een paar jaar lang zonder succes had geprobeerd in Hollywood aan de bak te komen, vond hij na terugkeer onderdak bij de Golden Harvest studio in Hongkong. Daar begon zijn grote opmars, vooral toen hij na een aantal jaren afstand nam van de serieuze martial arts-film en zijn eigen genre ontwikkelde.

Van de werkwijze in Hollywood heeft Chan niet zo'n hoge pet op, al speelt hij nog wel eens een rolletje in een film van Sylvester Stallone, als die hem daarvoor vraagt. En nadat 'Rumble in de Bronx' in de Verenigde Staten redelijk succesvol was, komen er uit die windstreken ook ineens meer aanbiedingen. Maar afgezien van het feit dat het Amerikaanse stuntwerk nog maar weinig voorstelt, vindt hij de manier van werken veel te traag en te weinig bezeten. “Ik moest een keer samenwerken met een stuntcoördinator, die mij vertelde dat ik wat minder snel klappen moest uitdelen. 'Waarom', vroeg ik? 'Omdat de jongen die de klappen moet opvangen niet snel genoeg is', vertelde hij me. 'Dan stuur je hem toch weg?', zei ik. Ik kreeg te horen dat dat niet ging: die jongen had een contract van zeven dagen. Zo werken wij in Azië niet.”

Ook vindt hij dat er maar weinig aandacht is voor de montage in de Amerikaanse filmindustrie. Schamperend: “Dat laat een regisseur rustig over aan iemand anders, die er van negen tot vijf mee bezig is en dan naar huis gaat. Dat zou ik niet kunnen”, zegt Chan, ineens bloedserieus. “Editing is my baby. Het is zo'n beetje het belangrijkste van het filmmaken. Ik gebruik honderd opnames van één shot, kies de beste twintig, de beste tien, de beste vijf en uiteindelijk de allerbeste. En als die niet goed genoeg blijkt, dan doen we het de volgende dag opnieuw. Mijn eigen crew begrijpt dat.”

Wie weet wordt zijn laatste film, 'First Strike', de doorbraak van Jackie Chan in Nederland, al komt de film hoogstwaarschijnlijk pas in de zomer in de bioscoop. Donderdagavond bij de Nederlandse première op het filmfestival braken er in ieder geval wel al drukke fan-taferelen rond de Aziatische superster uit. 'First Strike', inclusief de begintune boordevol verwijzingen naar James Bond, bevat weer heel wat spektakel met jakkerende sneeuwscooters, bijtgrage haaien en hooggelegen dakterrassen. Maar afgezien van alle actie: wie Jackie Chan ondergedompeld in ijskoud water verwoede pogingen ziet doen zijn handen warm te wrijven, is definitief verkocht.

mailIcon print |