*

 
dossier

Archief

Antoine Oomen voltooide met Lukaspassie zijn grootste compositie

FRANZ STRAATMAN − 04/04/98, 00:00

AMSTERDAM - “De samenwerking met Huub Oosterhuis begon toen ik pas pianist was in de Studentenecclesia. Voor de cabaretiers Sieto Hoving en Ivo de Wijs had ik al liedjes geschreven; voor de kerk kwamen daar de teksten van Oosterhuis bij. Hij had ook een literair programma in de Populier, Poëzie Hardop. Zo werd ik betrokken bij het werk van een groot aantal Nederlandse dichters.”

'Huiscomponist' van Poëzie Hardop noemt Oomen zich in het voorwoord van een uitgave met vijfentwintig door hem geselecteerde composities. “Ik draag de verzameling in haar geheel op aan Huub Oosterhuis, zonder wiens inspiratie waarschijnlijk geen van deze liedjes en liederen zou zijn ontstaan.”

“De Nederlandse taal blijkt zingbaar te wezen,” stelt Oomen met voldoening vast. “Er is veel vraag naar de bundel vanuit de zangopleidingen aan conservatoria en ook uit kringen van de kleinkunst. Ik heb nooit moeite gehad met muziekschrijven bij Nederlandse teksten. De tekst van een gedicht kan slecht zijn, en dan valt er niet voor te componeren, maar dat ligt niet aan de taal.”

De samenwerking met Oosterhuis ontwikkelde zich zó bijzonder dat Oomen zich nog uitsluitend op diens teksten concentreert. “Alles ontstaat vanuit een opdracht van hem. Ik heb in mijn hele leven nooit vanuit mijzelf een tekst op muziek gezet. De opdracht werkt voor mij als de trigger off van de inspiratie. Ik begin pas te lezen als Huub me vraagt: kijk hier eens naar. Tom Löwenthal en ik zijn zijn vaste componisten. Hij weet wat hij van ons kan verwachten.”

“Na al die jaren is het nog steeds bevredigend voor hem te werken. Hij blijft zich vernieuwen. Bovendien: ik ben niet zo'n ijverig mens dat ik alles wat hij geschreven heeft, ook gelezen heb. Ik wacht tot ik een opdracht krijg; ik ken veel teksten van hem dus niet, en voel niet zoiets als: dat weet ik nou wel.”

“Er zit veel muziek in de teksten van Huub. Dat trekt me aan. 't Is alleen de kunst om die muziek er uit te halen. Ik doe het nu al zo'n vijfentwintig jaar. Hoe die muziek in mijn hoofd zich vertaalt in noten, ritmen, melodieën? Daar vraag je me wat! Dat is moeilijk te beschrijven. Eigenlijk wil ik niet eens weten hoe dat gaat. Ik hou het liever zo onbewust mogelijk. Iedere componist is bang voor de bewuste keuze die hij moet maken: wat moet ik doen als de eerste noot die ik opschrijf verkeerd is.”

“Bij mij komt de muziek binnen nadat ik gedegen kennis heb genomen van alle onderdelen van een gedicht. Het gaat niet alleen om versvoeten tellen, of regels. Je moet de hele tekst doorschouwen; het gaat om het begrijpen van de spanningsboog die er door loopt, en daar moet je dan het muzikale equivalent voor vinden. De gevoelswaarden die in een gedicht zitten, moeten in het geheel worden opgenomen. Dat is de essentie van mijn componeren.”

Is dat soms de beroemde 'goddelijke ingeving', zoals op de middeleeuwse afbeelding van paus Gregorius met een duif aan zijn oor die hem de muziek influistert?

“Zoiets lijkt het wel. Ik ervaar het als: ineens strooit iets/iemand licht in mijn kop en dan komt het. Je moet er op wachten. Ik zit soms weken met een tekst op schoot. Het lijkt wel alsof de ene na de andere melodie me aanvliegt als je ziet wat ik allemaal geschreven heb, maar het gaat me niet gemakkelijk af. Toch doe ik het graag. Een van de belangrijkste punten waar ik naar streef, is dat het makkelijk moet klinken. Een lied moet de toehoorder meenemen in het meezingen. Dat proces naar het zingbare resultaat speelt zich in mijn hoofd af: een hele zaagselmolen vol muzikale elementen. Ik laat het langzamerhand zingend worden. En dan gebeurt het; het is net alsof je niet zelf de eerste noot neerzet, maar of iemand het je aanreikt. Je moet het niet willen afdwingen, dan lukt het niet. Het is wachten, je openstellen voor een ordening die een dichter al heeft aangebracht. Als componist gedraag ik mij uiterst nederig. Ik probeer alle wisselingen van de intensiteiten in een tekst tot uitdrukking te laten komen. De begeleiding is daarbij belangrijk: de precieze vormgeving van de dynamiek draagt veel bij aan de verstaanbaarheid.”

Slechts hier en daar in het werk van Oomen komt er een ander instrument in het spel dan de piano. In het Klein Kerstoratorium bijvoorbeeld kleuren fluit en hobo de sfeer. Maar de Lukaspassie kent alleen de piano als begeleider. De reactie van de componist kan niet beslister:

“Mijn grote liefde is de piano. Ik wil de wereld de onbeperkte uitdrukkingsmogelijkheden laten horen. Huub had graag gehad dat ik zijn Lukaspasie helemaal vol had gestopt met alle toeters en bellen - zo zei hij het letterlijk - die er maar te vinden zijn. Maar ik vond dit nou hét moment om te bewijzen dat je met een piano alles kunt doen.”

De Lukaspassie wijkt ook van het normale patroon af doordat er geen rolverdeling over de solisten inzit.

Oomen: “Van het begin af heb ik gedacht: niet één Jezus, één Pilatus, maar groepen. De identificatie met een persoon stond me tegen. Ik heb de karakters ondergebracht in het solistenkwartet en in het koor. Het is een vertelling waarbij ik gebruik maak van muzikale dramatiserende trucs, bijvoorbeeld in de overgangen van klein koor (solisten) naar groot koor en omgekeerd. Door het hele passiedeel heen heb ik het verschil tussen de tonaliteit van het koor en van de solistengroep op een overmatige kwart gehouden.”

“Ieder van de vijf hoofdstukken binnen het derde deel is geschreven in een eigen toonaard en modus. Zulke maatregelen neem je als componist lang van tevoren, bijvoorbeeld om er voor te zorgen dat de muziek een onwrikbare gang van zaken uitdrukt. Het verhaal van Jezus' kruisdood wikkelt zich namelijk af langs de lijnen zoals die al lang voorspeld waren. Ieder hoofdstuk eindigt steevast met een klagend koor, maar de laatste keer klinkt er geen klacht, ook geen jubel, maar is er sprake van innige acceptatie.”

Behalve voor een hechte constructie binnen de drie delen van het oratorium dat circa vijf kwartier duurt, streefde Oomen naar een verbinding over de verschillende delen heen.

“Er zit niet één thema in het derde deel dat niet al in het eerste deel aanwezig is. Want al moest dat eerste deel op zichzelf kunnen staan, het moest ook tot een groter geheel behoren. Ik moet zeggen: 't is me gelukt, al kostte het veel tijd. Ik ben een hartstochtelijk verscheurder van mislukte pagina's.”

Op één plaats, in het tweede deel, voegde Oomen een al bestaande compositie in, het lied van de vrek. Een sterk voorbeeld van de direct aansprekende stijl waarin Oomen schrijft en die hem met liederen als 'Licht dat ons aanstoot' en 'De steppe zal bloeien' tot ver buiten de ecclesia gewild heeft gemaakt. Zelfs in Engeland en in de Verenigde Staten worden zijn liederen in vertaling gezongen ('Light, gently touching in the morning'), een overzetting waar Oomen nauw bij betrokken is. Maar dat schrijven naar de gebruikers toe, heeft hem ook kritiek opgeleverd in de trant van: hoe kan iemand in het idioom van de negentiende eeuw schrijven? Weer klinkt een gedecideerde reactie:

“Waarom zou je niet in dat idioom mogen schrijven, maar wél in dat van de achttiende of zeventiende eeuw wat veel kerklied-componisten doen? En de twintigste eeuw, in dat idioom zijn geen zingbare liedjes meer gemaakt voor een gemeente. Ik grijp zeer bewust terug op de periode van vóór de breuk die zich wel aftekent in de muziek, maar niet in de taal. En als een dichter in een taal schrijft die niet wezenlijk verschilt van die uit de negentiende eeuw, waarom mag een componist dat dan niet?”

“Ik wil niet een vreselijk nieuw geluid maken. In de gewone diatonische toonladder kun je nog steeds heel veel mooie muziek maken. Als pianist ben ik wel diep in de twintigste eeuw terechtgekomen; ik hou echt veel van Bartók. Maar de pianosonates van Boulez spreken mij niet aan. De serenade in A van Stravinsky heb ik gespeeld: rare, niet-piano muziek. De Klavierstücke van Stockhausen? Ze zijn niet aan mij besteed. Het heeft jarenlang geduurd voor ik zulke dingen hardop durfde te zeggen.”

mailIcon print |