*

 
dossier

Archief

Moslim wordt te traag Nederlands

Anton van Schijndel − 27/06/02, 00:00

De toevloed van immigranten verzwakt de allochtone gemeenschappen en remt de emancipatie van Turken en Marokkanen af. Daarvan zou ook links zich rekenschap moeten geven. Hebben immers niet veel allochtonen voor een scherper vreemdelingenbeleid gestemd?

Het integratievraagstuk heeft een zachte en een harde kant. 'Zacht' zijn de culturele aspecten, zoals het naleven van wetten en de mate van vereenzelviging met in Nederland geldende waarden en normen. 'Hard' is de fysieke immigratie: de aantallen migranten die Nederland elk jaar opneemt. Tussen beide kanten is een wedloop aan de gang. De uitkomst daarvan bepaalt het succes of falen van de integratie.

De Turkse Nederlander Haci Karacaer, directeur van de islamitische organisatie Milli Görüs, zei dat Turken en Marokkanen hun stem moeten verheffen tegen criminele landgenoten (Podium, 15 juni). Daarmee richtte hij zich op de zachte kant. Tegelijk moet het verketteren van de islam ophouden, aldus Karacaer. Zijn opmerkingen over integratie en sociale cohesie getuigen van realiteitszin. Hij voorziet het ontstaan van een 'samenhangende, plurale identiteit' bij groepen nieuwkomers.

Maar wat moeten we ons hierbij voorstellen? Betekent het: je Nederlander voelen en tegelijk trots zijn op je Turkse afkomst? Dat zou lijken op de positie van de meeste joden. Zij voelen zich primair Nederlander, maar koesteren in meer of mindere mate hun bijzondere culturele achtergrond.

Toch gaat de vergelijking met de joden niet op. De ontkerkelijking onder moslims in Nederland is miniem. Vele tekenen wijzen erop dat migranten uit de islamitische wereld voor hun identiteit een overheersende betekenis toekennen aan hun geloof. De door Karacaer bepleite ontwikkeling van een moderne, Nederlandse islam haakt daarop in. En inderdaad zou de bloei van een verlichte islam een zegen zijn voor de emancipatie van moslims.

Ook voor autochtone Nederlanders is dit belangrijk. Geen enkele samenleving kan functioneren zonder een minimum aan gedeelde waarden. Politieke beginselen -zoals gelijkheid voor de wet en scheiding van kerk en staat- zijn zeker van belang. Maar nog belangrijker zijn waarden als arbeidsdiscipline, het nakomen van beloften, de bereidheid je in een ander te verplaatsen en zelfbeheersing.

Wezenlijk is dat deze waarden betekenis hebben in de omgang met eenieder. Daarmee staan ze haaks op de mores van veel niet-westerse plattelandsculturen, waarin de eigen familie of clan allesbepalend is. Daar gelden binnen de eigen groep strenge regels, maar daarbuiten mag je vrij je gang gaan, beloften breken of anderen benadelen. Veel brave Nederlanders kunnen zich het bestaan van zulke waardenstelsels nauwelijks voorstellen.

Het voortleven van deze plattelandsculturen vormt een verklaring voor het virulente wij/zij-denken dat we onder moslims in Nederland aantreffen. Dit groepsdenken ligt aan de basis van het gevoel van vreemdheid waarmee talloze moslims de Nederlandse samenleving bezien. Zo komt het stuitend onfatsoenlijk gedrag van sommige allochtone jongeren wellicht vooral voort uit een gebrek aan respect voor allen die niet tot de eigen groep behoren. Met 'de islam' heeft dat gedrag niets te maken.

Karacaer heeft onlangs gewezen op de grote onwetendheid van moslims over hun eigen geloof (Het Parool, 21 juni). Dat heeft te maken met een gebrekkige opleiding en het feit dat velen het Arabisch -de taal van de moskee- niet machtig zijn. In die onwetendheid kan afkeer van het 'verdorven' Westen zich makkelijk nestelen. Het is verleidelijk te denken dat een beschavingsoffensief van een verlichte islam hier een keer ten goede kan betekenen.

Toch zijn er grote obstakels, zowel in de moslimgemeenschappen als in de Nederlandse samenleving. Zo zijn de moskeeën -anders dan bij de protestanten- vaak georganiseerd in de vorm van een stichting. Moskeebestuurders zijn doorgaans orthodox of fundamentalist, en ze plegen zich door coöptatie aan te vullen. Hun imams nemen de passages in de Koran over de strijd tegen andersdenkenden en afvalligen volstrekt letterlijk. Moslims die een verlichte islam voorstaan zullen dan ook veel weerstand in eigen kring moeten overwinnen.

En aan de zijde van autochtone Nederlanders vormt hun slonzige omgang met hun eigen cultuur wellicht het grootste probleem. Van die mentaliteit gaat immers een sterk demotiverende werking uit. Waarom 's lands funderende waarden overnemen als het niet hoeft?

Een moderne islam blijft dus nog wel even toekomstmuziek. Daarom zullen we het voorlopig vooral van verstandig economisch beleid moeten hebben. Karacaer wijst op het gevaar van uitsluitingsmechanismen in onze samenleving. De in Nederland nog steeds zeer uitbundige verzorgingsstaat noemt hij daarbij niet. Ten onrechte, want die verzorgingsstaat maakt mensen afhankelijk van Vadertje Staat. Gebleken is dat vooral migranten uit niet-westerse landen hier een groot risico lopen.

Grote problemen doemen op wanneer de economie echt zou inzakken. Door de krappe arbeidsmarkt is de participatie van allochtonen de afgelopen jaren enorm gestegen, maar nog steeds geldt: last in, first out. Zo bezien is het terugschroeven van de verzorgingsstaat een moreel imperatief van de eerste orde. Voor individuen betekent een flexibeler arbeidsmarkt minder sociale bescherming. Maar vanuit macro-perspectief is flexibiliteit bittere noodzaak om de sterk groeiende allochtone gemeenschappen aan het werk te houden. In moreel opzicht moet dit gezichtspunt het zwaarste wegen.

Daarmee komen we bij de harde kant van de integratie: de fysieke immigratie. Men kan de samenleving zien als een maag; een maag die ontzettend veel kan verstouwen. Feit is echter dat de migratie in de jaren negentig een niveau heeft bereikt dat hoger ligt dan wat die maag aankan. Leiders van migrantenorganisaties zoals Saban Günes, die zich keert tegen de voorgestelde beperking van gezinsvorming en gezinshereniging (Podium, 18 juni), zouden zich daar beter rekenschap van moeten geven. Zij weten bovendien heel goed dat de huidige immigratiepraktijken hun gemeenschappen verzwakken en de emancipatie van Turkse en Marokkaanse Nederlanders afremmen. Illustratief zijn daarbij de effecten van gezinsvorming en illegale arbeid.

Günes erkent dat huwelijken met een in Nederland opgegroeide partner succesvoller zijn en de kinderen een Grotere kans hebben op een goede onderwijscarrière. Toch wordt ongeveer driekwart van de huwelijken gesloten met een bruid uit het land van herkomst. Bijna altijd gaat het om gearrangeerde huwelijken. Hier gaat veel persoonlijk leed achter schuil; veel huwelijken zijn na een paar jaar weer ontbonden. Tegelijk is de maatschappelijke schade enorm, want elke generatie begint van voren af aan met de integratie. Het ontmoedigen van deze vorm van immigratie is dan ook gerechtvaardigd, zeker nu de verscherpte eisen moeilijk als onoverkomelijk kunnen worden gezien (de bruidegom moet 21 jaar of ouder zijn en ongeveer 1500 euro per maand verdienen).

Günes voorspelt dat de bruid toch illegaal overkomt. In de praktijk zal dat best vaak voorkomen, maar de nadelen van een vrouw zonder verblijfsstatus zal velen toch afschrikken. Mocht de aanscherping toch onvoldoende effect sorteren, dan is een volgende stap te verlangen dat buitenlandse bruiden eerst in eigen land de Nederlandse taal leren voordat ze hier kunnen worden toegelaten. Dit is een verstandige maatregel, die aansluit bij de te onzent levende gedachte dat ware liefde alle hindernissen overwint. Anders dan Günes denkt, verwelkomt de Nederlandse samenleving op vrije partnerkeuze -in plaats van gemak- gebaseerde huwelijken.

Illegale arbeid vormt eveneens een hinderpaal voor de integratie. Het lokt de overkomst van illegalen naar hun eigen gemeenschappen in Nederland uit. Deze mensen worden uitgebuit door malafide werkgevers en in vele gevallen ook door hun familie. Gewone werkzoekenden -onder wie vele allochtonen- worden daardoor uit de markt geprijsd. In die situatie ligt het, in een hooggeorganiseerde samenleving als de Nederlandse, voor de hand de illegale arbeid in tuinbouw, horeca en schoonmaak door strengere controles terug te dringen. Günes' suggestie dat CDA en VVD daar toch niet aan willen omdat ze de belangen van de werkgevers verdedigen, getuigt van weinig begrip van de politieke verhoudingen hier te lande.

Nu de inhoudelijke argumentatie is uitgeput, verschanst links zich in arren moede achter 'de mensenrechtenverdragen'. Maar ook mensenrechtenverdragen zijn niet sacrosanct. De uitleg van die verdragen verschilt radicaal van land tot land, en de letter van deze of gene verdragsbepaling is sowieso niet fundamenteel. Het gaat om de daaraan ten grondslag liggende afweging van -botsende- morele principes. Dáárover moet het debat gaan.

Vanwege de hoge aantallen nieuwkomers dreigt de cultuuroverdracht de wedloop met de immigratie te verliezen. Vele Nederlandse moslims beseffen dat maar al te goed. Velen van hen hebben daarom bij de laatste verkiezingen hun stem gegeven aan partijen die een scherper vreemdelingenbeleid voorstaan. Als belangenbehartiger zou dat Günes te denken moeten geven. Het is hoe dan ook onverstandig in deze discussie te spreken van 'onvoorstelbaar onmenselijk', 'puur allochtonen pesten' en 'vijandschap'. Dat is voeding geven aan een achterhaald, wantrouwend groepsdenken, dat helaas nog steeds leeft binnen de moslimgemeenschappen. Zo discussiëren we in Nederland niet met elkaar.

Anton van Schijndel is advocaat. Hij was kandidaat-kamerlid van de VVD.

mailIcon print |