*

 
dossier

Archief

Centenkwestie is grootste zorg

Wilma van Meteren − 23/10/02, 00:00

AMSTERDAM - Een grote zorg van burgers en een politiek zeer gevoelig onderwerp: de kosten van de inlijving van Oost-Europese landen in de Europese Unie. De angst dat de 'armoedzaaiers' uit het oosten de Europese fondsen voor landbouw en regionaal beleid volledig zullen uitputten en zelfs meer geld zullen eisen, is groot.

De focus richt zich nu op Polen, met bijna 39 miljoen inwoners. Ultramoderne bedrijven zijn er verrezen naast de verouderde zware industrie. De werkloosheid is hoog: meer dan 18 procent van de beroepsbevolking heeft geen baan. Vooral de enorme inefficiënte landbouwsector baart zorgen.

Hoewel de sector economisch weinig bijdraagt (rond 4 procent) is de landbouw vooral belangrijk door het grote aantal Polen, en dus kiezers, die er werkzaam zijn. Een vijfde van de bevolking vindt er een bestaan. Het is geen wonder dat de Poolse regering bikkelhard onderhandelt met de EU om zoveel mogelijk financiële steun uit Brussel binnen te slepen. Polen voert ook het verzet aan van de Oost-Europese landen tegen het beknibbelen op de subsidies. Ze vinden dat na toetreding hun boeren en burgers recht hebben op dezelfde steun als anderen in de EU.

De kern van het probleem ligt echter bij de huidige EU-landen. Ze willen niets inleveren, niets extra's uitgeven of zelfs bezuinigen. De centenkwestie ligt morgen bij de Europese top in Brussel op tafel.

Zeven landen, onder aanvoering van Frankrijk, eisen dat er voorlopig niet geknaagd wordt aan de landbouwsubsidies. Een 'bende van vier', met onder andere Duitsland en Nederland, vindt dat de landbouw dringend hervormd moet worden. Bij Nederland speelt mee dat de boeren nauwelijks nog profiteren van Europese subsidies.

Feit is dat hervormingen van de Europese landbouw onontkoombaar zijn. Uit de hele wereld wordt druk uitgeoefend op de EU om in het kader van de nieuwe wereldhandelsronde de subsidies af te schaffen. De EU heeft zich daartoe bereid getoond mits ook andere landen, lees: de Verenigde Staten, bereid zijn hun bijdragen aan boeren te beperken.

De landbouwsubsidies souperen met de regionale steunfondsen tachtig procent van het Europees budget op. Over de regionale subsidies, die volgens het plan van de Europese Commissie net als de landbouwsteun stapsgewijs zullen worden ingevoerd, is er veel minder discussie. Die gelden zijn veel meer gebonden aan projecten, bijvoorbeeld ter bestrijding van werkloosheid, en landen moeten zelf een deel van de kosten dragen. Spanje, Portugal, Ierland en Griekenland, die er nu het meest van profiteren, zullen echter niet zonder slag of stoot deze extra inkomstenbron opgeven.

Op de achtergrond woekert de discussie die de huidige EU al vijf jaar in de ban houdt: wie profiteert en wie betaalt. Het kostte in 1999 op de top van Berlijn de Europese leiders enkele nachten en vele zweetdruppels om een akkoord te bereiken over de Europese financiën tot 2006. Met het vooruitzicht dat er zes nieuwkomers zouden toetreden, probeerde ieder EU-land daar zoveel mogelijk uit de Europese ruif te krijgen en zo min mogelijk kwijt te raken. Het werd een enorm gegoochel over de nettoposities (de bijdragen aan de EU minus de ontvangsten uit Brussel), met als uitkomst dat te weinig hervormingen werden doorgevoerd.

Deze ieder-voor-zich-houding biedt weinig ruimte voor de tien nieuwelingen. In de discussie wordt bovendien vergeten hoezeer EU-landen al hebben geprofiteerd en nog zullen profiteren van stabiliteit aan hun grenzen en van een vrijere handel en een grotere markt.

mailIcon print |