*

 
dossier

Archief

Opstanding

Peter Sierksma − 30/03/02, 00:00

Vroeger, toen wij nog thuis woonden, bezochten mijn oudste broer, mijn zusje en ik ieder jaar met onze ouders het graf van ons jongste broertje, dat nooit ouder werd dan vijf. Wij, kinderen, vonden dat een moeizaam ritueel; de gang was zwaar en het moment altijd onwennig. Als kind wil je spelen, niet rouwen als de voorjaarszon schijnt.

Nu, dertig jaar later, ben ik er mijn ouders en de traditie dankbaar voor. Witte donderdag, goede vrijdag, stille zaterdag. Alleen al in de namen van de dagen die aan Pasen voorafgaan, wordt het gewonde hart bedekt, getroost en tot rust gebracht, zoals geen jas en geen hand of mond dat vermag.

Begin deze maand overleed de dichter W.J. (Willem) van der Molen. Hij werkte korte tijd mee aan het Liedboek voor de kerken (1973) en werd daarbij vooral beroemd met de zogenaamde vloekpsalmen die hij vertaalde en bewerkte. Later ging hij in zaken, reisde en fotografeerde hij veel en wijdde zich de laatste jaren vooral aan de haiku, de Japanse dichtvorm die aforisme en gezegde dicht benadert.

Ik las die strofen keer op keer, maar vond ze vaak te cryptisch om ze te begrijpen. Maar soms brak het licht door. Zoals in dit fragment uit 1998: ,,We lopen, lopen/Om eens uit te rusten/ Aan de voet van de berg.''

Daar aan die voet moet de dichter nu aangekomen zijn. Of die berg nu de Fuji of een hooiberg is uit de streek waar Van der Molen woonde, Ben Bulben, waar Yeats begraven ligt, of Golgotha - dat maakt niet uit. Zolang Hij er maar is, over wie Van der Molen in psalm 85 dichtte: ,,Waar Hij ook gaat, de vrede gaat Hem voor,/ liefde en trouw ontspruiten in zijn spoor./ Gerechtigheid is voor zijn aangezicht,/ zij bloeit alom waar Hij zijn voetstap richt.''

mailIcon print |