*

 
dossier

Archief

De hand van de palfrenier

Rob Schouten − 04/02/02, 00:00

Het afgelopen weekeinde bood hoofdstedelijke leden van de republikeinse genootschappen een uitgelezen mogelijkheid om zich weer eens kapot te ergeren en zich in het verkeerde land te wanen. Vanwege de noodverordening bijvoorbeeld die burgemeester Job Cohen uitriep om de Amsterdamse binnenstad her en der af te zetten, of om de fietsen die opeens op allerlei plaatsen niet mochten staan, of om het irritante geronk van helikopters boven je hoofd. En anders wel omdat je bij zes rollen King pepermunt de afgelopen week ongevraagd een oranje vlinderstrik kreeg, of om dat weerzinwekkende liedje van Marco Borsato en Sita dat al wekenlang de ether vergiftigde met geloop op het water en gedans op de sterren, alsof het om een soort goden gaat.

En dat alles omdat een van de eerste republieken van Europa er zo nodig een koningshuis op na moet houden. En het was nog prachtig weer ook. Maar dat de republikeinen massaal de hoofdstad ontvluchtten, zoals het Belgische journaal vorige week hoopvol meldde, geloof ik niet. Misschien hebben sommige zelfs wel gekeken, zoals Bram en Freek ooit opriepen om het Wereldkampioenschap in Argentinië te boycotten, maar aankondigden als er dan toch gevoetbald werd heus wel te zullen kijken. Want zoveel aanleidingen om je als republikein in Nederland te ergeren heb je nu ook weer niet, dus iedere kans moet je grijpen.

Een weekeinde lang was het Oranjevolk aan het roer maar als het oranje weer uit de lucht is zal men merken dat het vooral om kleine groepjes gelegenheids-opposanten ging: republikeinen en Oranjeklanten. De meeste Nederlanders hebben geen last van ons vorstenhuis maar het laat ze ook driehonderdvierenzestig dagen van het jaar redelijk onverschillig. Vorsten zijn er tegenwoordig voornamelijk nog voor die paar hoogtijdagen.

Intussen demonstreerde 02-02-02 wel degelijk dat we nog lang niet van het huis Oranje af zijn. Voortdurend werd er omgekeken naar die roerige dagen van zesendertig jaar geleden, toen de vorige generatie in het huwelijk trad, maar de vergelijking leverde weinig op: geen leeuwenmest en geen rookbom en al helemaal geen volkswoede. Eén onmiddellijk door een witgehandschoende pal frenier weggepoetst meelbommetje en wat onbeduidende arrestaties wegens smaad of belediging, meer zat er dit keer niet in.

De republikeinse zaak is sinds die dagen van beroering en verandering kennelijk danig op z'n gat komen te liggen. En dat hoewel het koningshuis toch regelmatig in opspraak blijft komen, omdat ze nog altijd van de jacht houden bijvoorbeeld, of verkeerde schoonvaders met zich meebrengen. Niettemin praatte nota bene Andrée van Es, toch echt van de republikeinen, de toekomstige koningin over de Nederlandse maatschappij bij, en de oranje rookbom die tijdens de rijtoer officieel tot ontploffing werd gebracht symboliseert het al helemaal: de opstand is gedomesticeerd. Van de ketelmuziek der demonstranten op het Witte Plein heeft het paar niks gemerkt en het weinig vleiende spandoek 'Kus de kikker Max' zal ze ook wel ontgaan zijn. Nog altijd in de trant van het sprookje trouwens. De likkebaardende Duitsers (met het huwelijk op hun twee voornaamste zenders) zonden het geheel passend uit onder de titel die Schöne und der Prinz, alsof de gebroeders Grimm het script schreven. En zo moet het natuurlijk ook zijn.

Zou het misschien mogelijk zijn om een koninklijk huwelijk te ondergaan zoals je soms onderweg een toevallig huwelijk ziet, een gelukkig bruidspaar dat net uit het stadhuis komt, wat opgetogen familie - wie weet zijn het allervreselijkste mensen, maar je wenst ze blindelings alle geluk? Nee natuurlijk. Prinsen en prinsessen staan qualitate qua niet op de begane grond, hoezeer wij en wellicht zijzelf dat ook zouden wensen, ze wonen in de verte en behoren tot het 'hof', een woord dat de beslotenheid van een landgoed aanduidt. Komt het ooit zover dat het hele volk hun huwelijken vanuit een ooghoek gadeslaat en gewoon verder werkt, dan zijn ze ook direct uitgerangeerd. Ze functioneren namelijk alleen maar als je erin gelooft. Daarom moeten ze apart gezet worden.

Toegegeven, dominee Carel ter Linden tutoyeerde het koninklijke stel naar hedendaags gebruik joviaal en zijn preekje over Ruth kon rustig voor alle grensoverschrijdende huwelijken ingezet worden. Wijzelf mogen de kroonprins broederlijk Prins Pils noemen en hem opgetogen gadeslaan als hij de Elfstedentocht uitrijdt, de marathon van New York loopt of met andermans sportieve prestaties meehost. Maar echt gewoon wordt hij pas als we hem niet langer een kroon opzetten en ook zijn doctoraalscriptie over generaal De Gaulle mogen lezen. En voor Máxima geldt hetzelfde; hoe vlot ze haar tango's ook heeft gedanst, hoe ze ook in de toekomst zal lachen en tranen wegpinken, ze is nooit meer zomaar iemand. Zomaar iemand wordt namelijk niet van het ene op het andere moment prinses omdat ze 'ja' zegt, en al helemaal geen Ridder in het Grootkruis van de Nederlandse Leeuw.

Ik hecht eraan te denken dat iets dergelijks door Máxima heenschoot toen ze het wat te kwaad kreeg onder de slepende klanken van de bandoneon en Astor Piazzolla die zijn opaatje herdacht, zoals zij nu haar vader: vaarwel, daar gaat m'n oude leventje! En m'n meisjesnaam erbij! De Engelse dichter Philip Larkin schreef er een mooi gedicht over:

Je meisjesnaam raakte door 't huwelijk in onbruik.

Die lichte klankreeks betekent je gezicht niet

meer, je stem, en alle variaties van je gratie;

want sinds je dankbaar door de wet verruild

werd voor een ander, kan je semantisch niet

de schoonheid zijn die je daarmee verliet:

voor haar werden die woorden toch gebruikt.

Natuurlijk zat iedereen, van oude vrijster tot opgewonden student, op de ware emoties te wachten en de bestelling werd volmaakt afgeleverd, in de vorm van roerende tranen en daarna de heuse zoen: voorbeeldig gesnotter en gekus. Ja, het was allemaal waarachtig en ze houden echt van elkaar, is het geen mirakel?

De vraag blijft niettemin almaar luiden: wat doet dat hele koningshuis eigenlijk nog in een genivelleerde samenleving als de onze, waarin republikeinen en Oranjeklanten overdag net zomin nog van elkaar te onderscheiden zijn als links en rechts en zelfs arm en rijk? Natuurlijk van alles en nog wat dat de Grondwet van ze verlangt en verder moeten ze zichzelf instandhouden terwijl de rest van de wereld verandert. Maar vooral moeten ze iets zien te belichamen, het ideale gezin, de nationale trots en geborgenheid, iets moederlijks alstublieft. Komt bij ons vast ook omdat vrouwen hier de afgelopen eeuw de dienst hebben uitgemaakt. Moeders des vaderlands.

Ik schrok zelfs een beetje toen we Willem-Alexander in dat groottenue in de rang van kapitein ter zee kregen. Na al die zorgzame landsmoeders binnenkort weer een echte heerser? Maar nee, vast niet, we hebben nooit iets met de ijzeren vuist gehad. De directe voorouders van onze vorsten, de stadhouders, noemden zich keurig dienaren van de staat, 'bij de gratie Gods' dat wel. Vandaar dat driespan: God, Nederland en Oranje. Voor iets goddelijks, zoals de oude farao's of keizer Claudius die in z'n eentje van een gouden tafel at, verschenen de Oranjes te laat op het toneel der geschiedenis.

Ze moeten, anders dan die antieke monarchen (alleenheersers betekent het, het woord moet hoognodig eens afgeschaft worden!), tegelijkertijd groter zijn dan wij en van gelijk formaat. Een schier onmogelijke opdracht natuurlijk. Toch lukt het ze soms aardig, gebiedt de eerlijkheid te zeggen. Het gaat daarbij om de verhoudingen. Ze doen allerlei dingen die wij nooit van ons leven zullen doen, zoals vaandels groeten of met de auto van de Beurs van Berlage naar de Nieuwe Kerk rijden (een loopje van drie minuten, schat ik) maar net op tijd toch ook weer de dingen die we herkennen, zoals trouwen, zenuwachtig zijn, aanrijdingen veroorzaken. Het is de juiste mix, à la carte, van afstand en identificatie waar het om gaat. Zeker bij een koninklijk huwelijk, het alleropenbaarst privé-feest dat zich verzinnen laat. Getrouwd worden, in zo'n kerk zitten, dat herken je. Het grootse, kathedrale gevoel, de lichte verveling tijdens de preek. Je ogen dwalen mee langs de hoge ramen en stenen ornamenten, terwijl daar in het midden een ceremonieel plaatsvindt. Maar even later wordt de afstand ineens weer veel groter. Ze moeten de Gouden Koets in. Hoe zou het daar zitten? Wat voelt 'prinses' Máxima (het is nog even wennen) als ze voor het eerst van haar leven binnen in zo'n ding zit, aan het werk in haar nieuwe baan: lachen en wuiven? Ik weet het niet. Ik vond Willem-Alexander de hele dag niet helemaal lekker wuiven en lachen, maakte me wijs dat hij steeds gespannen bleef; en juist die wat geforceerde lachjes konden niet beter geregisseerd: zo zou ik me ook voelen op zo'n dag, bij alle mooie gevoelens toch ook een beetje opgelaten.

Vroeger werd het volk voor het huwelijk omgekocht met dagenlange toernooien van ringsteken en zwaardvechten. Tegenwoordig gaat het om de kus. De liefdeskus is een laagdrempelig iets, wij kennen het allemaal. Dichter bij de vorstelijke stoelgang kun je denk ik niet komen zonder het hele instituut in gevaar te brengen. Dus dat wensen we, iets gewoons. Geen aanstellerij, niet victoriaanser willen wezen dan je volk. Maar het is helemaal niet gewoon. Wie staat er nou op het balkon van het koninklijk paleis ten overstaan van duizenden onbekende toeschouwers demonstratief z'n vriendin of vrouw te kussen?

Maar toen de plechtigheden voorbij waren en de vorsten weer opgeslokt door hun bastions zag ik ergens op de hoek van een straat een ander paar elkaar, of liever gezegd zichzelf in het openbaar staan kussen. O ja, dat is het, schoot het door me heen. En zo gaan de vereenzelvigingen met het koninklijk paar op en neer, precies zoals het moet, en een beetje zoals die bandoneon uit het land waarvan we nu als het ware schoonfamilie zijn geworden, de kouwe kant dat wel, maar waarbij heel Nederland iets moest wegslikken.

Maar de belangrijkste taak van ons koningshuis ligt toch wel in het leveren van het juiste Oranjegevoel. Wie de dress-code binnen en buiten de Beurs van Berlage en de Nieuwe Kerk bestudeerde zag een opmerkelijk verschil: buiten alles oranje en rood-wit-blauw, plastic oranje kronen, vaderlands beschilderde wangen. Binnen niets van dat alles: louter beschaafde pasteltinten, geen kroon te zien, geen enkele oranje hoed, witte bloemen. Wie Oranje belichaamt hoeft het nu eenmaal zelf niet te dragen. Het Oranjehuis heeft het gevoel als het ware aan ons overgedragen. Natuurlijk is het allemaal flauwekul, dat hele Oranje-begrip komt van een Zuid-Franse stad waar we niks meer mee te maken hebben, Orange dat oorspronkelijk Arausio heette, niks oranje maar vernoemd naar een Keltische watergod. Maar we zwaaien en wuiven nu eenmaal niet met het etymologisch woordenboek in de hand.

En omdat het koningshuis niet elke dag kan trouwen, kinderen krijgen of troonredes voorlezen, is het Oranjegevoel allang op iets anders en alledaagsers overgegaan, de sport. Niet toevallig zit prins Willem-Alexander in het Olympisch Comité, de beste plek voor een moderne prins om iets met de volkswil uit te richten. In de sport is het Oranjegevoel, waarvan we tijdens het koninklijk huwelijk eventjes, bij wijze van opfrissingscursus, de oorsprong kregen te zien, volstrekt gedemocratiseerd en uit de hand gelopen. Historicus Herman Pleij schrijft erover: 'Van heel ver weg lijkt de echo te weerklinken van het instinct om terug te keren naar de kudde. Vervangende hechtpunten uit de geschiedenis van de natie zijn er niet of nauwelijks, zodat daar de groepsverbondenheid niet aan opgehangen kan worden. Daarvoor in de plaats is in Nederland het Oranjegevoel gekomen als nieuwe, samenbindende religie of levensovertuiging, die van tijd tot tijd dat heerlijke oergevoel van de eensgezinde kudde moeiteloos in praktijk brengt.'

Ik denk dat het vooral dat kuddegevoel van al die zogenaamd individualistische Nederlanders is dat republikeinen ergert, die periodiek oprispende belangstelling voor pracht en praal waar een verstandig mens niet aan zou moeten toegeven. Misschien ook wel die vreemde tegenspraak tussen een soort volks-eigenwijsheid en toch weer makkelijke geïmponeerdheid. Maar als ze na de bezoeking van het koningshuis de stad weer intrekken, zullen zelfs de oprechtste republikeinen merken dat de Oranje-invasie toch nog iets heeft opgeleverd: het Damrak is eindelijk weer een fatsoenlijke straat geworden!

mailIcon print |