Zo helder als David Hockney in het nieuwste nummer van 'De Gids' het kubisme beschrijft, zo helder heb ik het nog nooit beschreven gezien.
De gedachte dat kubisme een manier van schilderen is waarin de werkelijkheid wordt gereduceerd tot kubussen en vlakken raakt bij lange na de kern niet. In de kern wilde het kubisme recht doen aan het feit dat de menselijke waarneming van de wereld zich afspeelt in een opeenvolging in ruimte en tijd. Picasso wordt door Hockney als de grootste kubist beschouwd, als degene die de waarneming op de meest verrassende wijze tot onderwerp van zijn schilderkunst heeft gemaakt. Vooral als portrettist acht Hockney Picasso indrukwekkend. De kubistische zienswijze leverde niet zozeer een geabstraheerde werkelijkheid op, maar juist een nieuwe figuratieve, een heel intieme, want van dichtbij en van alle kanten benaderde werkelijkheid. ,,Er wordt over geklaagd dat Picasso dingen vervormde. Volgens mij zijn er echter helemaal geen vervormingen in Picasso's werk. Neem de schitterende portretten van zijn geliefde, Marie-Thérèse Walter, die hij in de jaren dertig vervaardigde: hij moet uren met haar in bed hebben doorgebracht, heel dichtbij, terwijl hij naar haar gezicht keek. Een gezicht waar op die manier naar wordt gekeken ziet er gewoonlijk heel anders uit dan een waar van anderhalf of twee meter afstand naar wordt gekeken. Er beginnen vreemde dingen te gebeuren met de ogen, de wangen, de neus - prachtige omkeringen en herhalingen.''
Huub Beurskens heeft deze mooie tekst van Hockney vertaald en hij draagt aan dit Gids-nummer, dat gewijd is aan het begrip 'mooi', een uitstekend essay bij over Hockney. Daaruit blijkt zonneklaar dat Hockney het, via Picasso en het kubisme, in feite over zichzelf en zijn eigen kunst heeft gehad. Beurskens spreekt van Hockneys ,,almaar toegenomen behoefte aan een intieme waarneming van de intimiteit en van onze lichamelijke aanwezigheid in de wereld''. T. van Deel
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.