Jaargangen lang was de kleur van de omslag blauw. Vanaf 1988 verscheen Het Orgel echter per jaar met een andere kleur kaft; het zilverkleurig silhouet van een barokorgelfront bleef echter gehandhaafd als het handelskenmerk van de 'uitgave van de Koninklijke Nederlandse Organistenvereniging'. Het bijna vierkante formaat verleende aan het maandblad een aparte sfeer tussen alle gelijksoortige magazines op A-4 formaat.
Binnenin werd je met de neus op degelijke feiten gedrukt: diepgaande besprekingen van nieuwe en gerestaureerde orgels en stevige analyses van muziek, vooral kerkelijke composities. Stof voor vaklui, en dat is precies het bestand van de Koninklijke Nederlandse Organistenvereniging, opgericht 16 januari 1890.
De 106-de verjaardag kan echter gevierd worden met een nieuw blad. 'Het Orgel' afficheert zich op de omslag per 1 januari als 'het Orgel', het formaat is trendy magazine en de redactionele presentatie is flink doorelkaar geschud. Om in orgeltermen te spreken: 'het Orgel' heeft er nieuwe stemmen bijgekregen in de personen van redacteur Hans Fidom en grafisch vormgever Gérard van Betlehem, en het geheel is in een ruimere kas geplaatst: het grotere formaat zet zich voort in een iets grotere letter en meer wit tussen de regels.
Het blad oogt nu meer als een tijdschrift voor breder publiek dan een clubblad. Het eerste grote artikel (leesverhaal in krantetermen) wordt zelfs gepresenteerd onder het kopje 'Mensen'. De eerste mens blijkt Hans van der Harst, die door Hans Fidom aan de tand wordt gevoeld.
Van der Harst, altijd goed voor stevige en op-de-man-af geplaatste meningen, is pas 65 jaar geworden, is daarom niet langer als orgeladviseur in dienst van de Katholieke Klokken- en Orgelraad, en kan dus hartgrondig aan het slot zeggen: “Ik hoef me nu nergens meer iets van aan te trekken. En dat is prettig, Heel prettig.”
Tussen deze slotzin en de inleidende beschrijving hoe de kleine Hans zowel in roomse als reformatorische kerken de orgelcultuur met moeders paplepel consumeerde en via het klooster het orgel ingroeide, gaat het gesprek toch stevig de diepte in op het punt van de orgelbouw rond 1900 en daarna. En dan is het niet meer zozeer 'Mensen' dan wel 'Vak'.
Dat het blad in nieuwe vorm en presentatie dicht bij het bestaande abonnee-bestand blijft, mag ook afgeleid worden uit de rubriek Muziek (waarin lezing uit 1953 van Anton Heiller staat afgedrukt, met als belangrijk aandachtspunt het improviseren), en de rubriek 'het Instrument' (een verslag over een internationaal orgelcentrum in Göteborg, Zweden).
Achterin ligt een aantal pagina's onder de merkwaardige kop 'het Orgel krant' (drie woorden in drie lettertypes nog wel) waarin Hans Fidom allerlei nieuws (Reil neemt Leeflang over; orgelencyclopedie wegens gebrek aan voldoende inschrijvers vertraagd) in hap- en leesbare brokken opdist. Verenigingsnieuws en besprekingen besluiten het nummer.
In de hoofdredactionele inleiding wordt erop gewezen dat met het indikken van het kerkelijk leven en de verminderde maatschappelijke invloed, het orgel in de knel is gekomen. Het tijdschrift wil in die veranderende wereld minder documenteren, en meer op nieuwe ontwikkelingen en meningsvorming inspelen. Het eerste nummer van de 92-ste jaargang geeft wat voorzetten, maar een wezenlijke verandering heb ik er niet in gelezen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.