*

 
dossier

Archief

VONDEL, HOOFT EN GEZELLE OOK VOOR ALLOCHTONEN

JAAP DE BERG − 31/08/96, 00:00

Roodkoper, maandblad voor cultuur, religie en politiek (020-62 573 68). Wijsgerig Perspectief (0522-25 70 12).

Zo ongeveer luidt de overzichtelijke samenvatting van twintig jaar sociale geschiedenis waarmee Thijs Wöltgens voor de dag komt in het maandblad Roodkoper van Huub Oosterhuis' Rode Hoed. De voormalige fractieleider van de PvdA bestuurt tegenwoordig de gemeente Kerkrade. Het bedrijfsleven daar is deels in handen van tien miljonairs. Zij allen wonen, in tegenstelling tot de klanten van Wöltgens' sociale dienst, in het fiscaal minder grijpgrage België.

Roodkoper inviteerde Wöltgens omdat hij in het pamflet 'De Nee-zeggers' was uitgevaren tegen de neoliberale apostelen van het vrije-marktevangelie - ook in de PvdA - die de verzorgingsstaat verkwanselen. In Trouw maakten Rick van der Ploeg en Gerbert van Loenen korte metten met het vlugschrift. De eerste gaf Wöltgens les in het nut van meer concurrentie en vrijhandel, de tweede zag hem op spoken jagen in een land waar bijna de helft van het bruto binnenlands produkt door de collectieve hand wordt uitgegeven.

Roodkoper daarentegen haalde Jan Marijnissen van de SP erbij, die in een gesprek met Wöltgens zijn rode pet afneemt voor diens anti-paarse uitvallen. Volstrekt eensgezind zijn die twee overigens niet. Zo ziet Wöltgens wel wat in tweetalige scholen voor allochtonen. Marijnissen vindt dat wie in Nederland een toekomst wil opbouwen, de landstaal moet leren, en wel zo snel mogelijk.

Elders in Roodkoper tapt de literatuurhistoricus Piet Calis uit hetzelfde vaatje. Wat hem dwarszit, is dat het literatuuronderwijs in het havo en vwo gekortwiekt wordt, onder meer omdat allochtonen geen raad weten met Vondel, Gorter en andere duistere figuren. Weg dus met hun boeken? Nee, want zo dring je allochtonen nog meer in de rol van cultureel toeschouwer, zegt Calis - die kennelijk de indruk heeft dat half autochtoon Nederland met een diploma havo of vwo 's avonds van Vondel, Hooft, Gezelle of Slauerhoff zit te genieten.

HOLLANDS FUNDAMENTALISME VAN TWEEERLEI SIGNATUUR

Waar Wöltgens en Marijnissen ook van mening over verschillen, is de functie van de kerken. De PvdA'er ziet “best een rol voor hen om de morele verwording waarmee het onversneden kapitalisme gepaard gaat, aan de kaak te stellen”. Marijnissen weet beter: “Godsdienstige mensen verwachten vaak verandering van boven, en zoals we allemaal weten kunnen je dan heel lang wachten, tot het laatste oordeel”.

Enige nuancering van deze simpele kijk op godsdienstig Nederland zou geen kwaad kunnen. Mogelijkheden daartoe biedt zowel Roodkoper als het jongste nummer van Wijsgerig Perspectief (WP), dat het complexe verschijnsel van het fundamentalisme behandelt. De Leidse hoogleraar A. van de Beek komt met een verhelderende checklist van fundamentalistische kenmerken en verdeelt de Nederlanders die er in hoge mate aan voldoen, in twee groepen: de evangelicalen (het EO-type) en de gereformeerden van de zogenaamde zwarte-kousenkerken (de Staphorst-variant).

Wat ze gemeen hebben, is dat ze met religieuze middelen een diepgewortelde angst voor identiteitsverlies bestrijden. Verschillend is echter de vorm die hun angst aanneemt. De streng-geformeerden zijn bang voor 'het niets' van een grondeloos verloren wereld, die ze resoluut buiten de deur proberen te houden. Ze klemmen zich vast aan restanten van zekerheden uit vroeger tijden, de rest van de wereld op haar goddeloze beloop latend.

Niet aldus de evangelicalen. Zij duchten niet zozeer 'het niets' als wel 'iets', en wel de zogenaamd verlichte meerderheid van de bevolking die het in de cultuur voor het zeggen heeft. Daar gaan ze, assertief, tegen in door met alle middelen die de tegenstander aanreikt, hun godsdienstige, ethische en zelfs wetenschappelijke gelijk te verkondigen. Terzijde: Van de Beek is niét van oordeel dat de hedendaagse meerderheidscultuur per se gevrijwaard is van fundamentalische hebbelijkheden. Integendeel: je treft ze aan bij iedereen en iedere groep die niet onbevangen naar waarheid zoekt maar doet alsof ze die al in pacht heeft.

WAT 'GOD' BETEKENT, KAN ALLEEN GELOVIGE WETEN

Binnen de christenheid vinden fundamentalisten hun tegenpool in vrijzinnige theologen. Ook zij behoren niet tot de beschermde wildsoorten. Van diverse kanten (Versnel, Philipse, Cliteur) worden ze bestookt met het verwijt dat ze, simpel samengevat, in theologenland rondlopen met een lege doos onder de arm waarop 'God' staat. Of, zoals de godsdienstfilosoof Joh. Goud het in Roodkoper formuleert: 'De vrijzinnige reconstructies van God zijn inconsistent en inhoudloos'.

Niet dat Goud deze zienswijze deelt. Hij probeert juist bij Cliteur, Philipse en Versnel begrip te wekken voor de vrijzinnige theologiebeoefening. Aan Philipse houdt hij bijvoorbeeld voor dat de uitspraak 'God bestaat' niet los verkrijgbaar is. Haar betekenis ontsluit ze pas 'in het verband van de religieuze levensvorm'. “Gods macht en realiteit tonen zich pas binnen de levensvorm van lofzang en dienst. Van binnenuit beschouwd is de vraag of God bestaat niet zozeer onzinnig als wel impertinent. Gelovigen weten te goed dat de betekekenis van het woord God met hun geloof meegroeit”. Anders gezegd, het geloof is geen leer maar een weg, en wel een lange, 'van zuivering en verinnerlijking'. Te ervaren wat 'God' betekent, is voorbehouden aan wie deze weg bewandelen. Voor buitenstaanders is die betekenis 'inderdaad een ongrijpbare abstractie'.

Het lijkt er veel op dat Goud een redelijke - d.w.z. voor iedereen toetsbare - verantwoording van geloofsuitspraken als iets onmogelijks beschouwt. Zijn benadering van critici heeft veel weg van de manier waarop tegenstanders van het apartheidsbewind onzaliger wel de mond werd gesnoerd: ze moesten in Zuid-Afrika geweest zijn om erover te kunnen oordelen. Einde discussie.

mailIcon print |