*

 
dossier

Archief

Clintons Celestijnse belofte

WILLEM BREEDVELD − 22/01/97, 00:00

De woorden Amerika, erger: 'amerikanisering', roepen thans overwegend negatieve connotaties op, zelfs bij iemand als VVD-leider Bolkestein. Maar ik kan me nog herinneren hoe dit Amerika een wervende belofte inhield met behulp waarvan Nederland zich maar al te graag wilde ontdoen van de doem van twee wereldoorlogen. Het oude leek te hebben afgedaan. Zelfs het dempen van de grachten, of het glad aftimmeren van sierlijke plafonds en paneeldeuren, dienden het nieuwe en op de klanken van Pat Boone en Frank Sinatra en op de golven van de retoriek van Kennedy leek de realisatie van de belofte uitsluitend een kwestie van tijd.

Ik zat daarom op het puntje van mijn stoel toen president Clinton bij zijn inauguratie Amerika opnieuw als een land van belofte voorstelde. Van de belofte die het nieuwe land ooit bood (the promise we found in a new land) naar het land van Nieuwe Belofte (the land of new promise). Zal het land, zal de president in staat zijn over de eigen schaduwen heen te stappen? En zo ja, hoe dan wel? Want de verhalen over de tweedeling in die samenleving, de raciale conflicten, de doorgeschoten consumptiecultuur zijn ons hier niet in de kouwe kleren gaan zitten. Tot overmaat van ramp blijkt het land ook nog eens aangevoerd te worden door een president die ernstig aangetast lijkt door schandalen en schandaaltjes, door iemand die eerder gedoogd dan bewonderd of vertrouwd wordt.

Desondanks the land of new promise? Je weet maar nooit. Maar zelfs als het land die belofte waarmaakt, kan deze redevoering onmogelijk beschouwd worden als de eerste aanzet, of het keerpunt. Daarvoor was het verhaal te algemeen en voorzover de president zelf al concrete oplossingen voor ogen had, hield hij die zorgvuldig achter de kiezen. Daarentegen verwees hij nadrukkelijk naar de gemeenschap, naar de democratie zelf: “de overheid vormt niet het probleem en de overheid vormt niet de oplossing. Wij, het Amerikaanse volk, vormen de oplossing”, aldus Clinton.

Zo'n uitspraak is waar en niet waar. Zij is waar omdat overheden voor de oplossing van problemen altijd zijn aangewezen op het volk. Waar is ook dat burgers vaak te veel van overheden verwachten met als gevolg dat het eigen initiatief op de achtergrond raakt, of zelfs in het ongerede raakt, zoals we hier in Europa hebben ervaren.

Maar juist in een land als de VS zou een actievere overheid geen kwaad kunnen. Denk aan de gezondheidszorg, de sociale zekerheid, of het onderwijs. Om die reden is een terugwijzing naar het volk zelf bijna een gotspe. Waarom steekt Clinton zelf zijn nek niet wat verder uit?

Met deze vraag stuiten we op een curieuze paradox. Clinton, zo wordt wel gezegd, is de eerste president die aan de macht is gekomen en gebleven dankzij de toepassing van zorgvuldige marketing-technieken. Zoals de historicus Menno de Galan deze week in NRC Handelsblad opmerkte: Clinton heeft zich ontpopt als papegaai van de opiniepeilingen. Eén van Clintons ingehuurde pr-adviseurs, Dick Morris, schrijft zelfs in zijn memoires: . . .de era Clinton “was het eerste volledig door reclame bepaalde presidentschap van de Verenigde Staten”.

Dat zal ongetwijfeld overdreven zijn, maar het neemt niet weg dat marketing-technieken een belangrijke rol hebben gespeeld. Dat hoeft op zichzelf geen schande te zijn. Wat is er per slot van rekening op tegen precies te willen weten wat het volk wil? Je zou het zelfs democratie kunnen noemen. Daar staat tegenover dat omgekeerd het volk ook van zijn politieke leiders mag verwachten dat ze iets willen, ter wille van de duidelijkheid. Door de bal zo krachtig terug te spelen, lijkt Clinton echter te zeggen: zegt u het maar. U kiest en wij draaien.

En zo lijkt Clintons land of new promise verdacht veel op de Celestijnse belofte: we zullen het heil, de integratie van het individu in het geheel, vooral in onszelf moeten vinden.

mailIcon print |