*

 
dossier

Archief

Innig

CORNELIS VERHOEVEN − 20/03/97, 00:00

Bij het woord 'innig' moet ik altijd denken aan het gedicht 'Avond' van Willem Kloos, dat begint met de regels “Nauw zichtbaar wiegen op een lichte zucht / De witte bloesems in de scheemring” en dan via 'die zacht gekleurde lucht / Als perlemoer' tot de bevinding komt 'Want alles is bij dag zo innig niet'. Ik heb die regel altijd zo mooi gevonden, omdat daarin een verband wordt gelegd tussen wat het meest buiten ons is, de ruimte van een rustige avond waarin de witte bloesems wiegen, en wat het meest binnen in ons is, het rusteloze hart waar de dichter verderop over schrijft, en “dat al zó moe is.” Niet van het hart zegt hij, dat het innig is, maar juist van alles wat ver daarbuiten ligt en het hart tot stilte maant. En hij moet het wel 'innig' noemen, omdat het hem zo geruisloos uitnodigt het op zijn innerlijke onrust te betrekken.

'Innig' is zo'n woord dat in de tijd van Kloos, de negentiende eeuw, nog met een grote frequentie werd gebruikt bij het uitdrukken van gevoelens. Bijvoorbeeld bij Kloos zelf: 'Ik heb geliefd met het al-innigst wezen'. Er was innig medeleven en innige genegenheid. 'Innig' heette toen al niet gewoon wat zich binnen in ons bevindt, de binnenkant, maar bij voorkeur wat zich van daar uit ontwikkelde en naar buiten kwam of wat van buiten af daarin doordrong en zich daarvan meester maakte. Niet alleen het huis had een binnenkamer, en die werd in de negentiende eeuw zeer gecultiveerd, maar ook het hart en de ziel. Als er van 'innig' sprake was, ging het om een overtreffende trap van gevoelens die op deze manier werden gekwalificeerd en werd daaraan het stempel van echtheid opgedrukt. Het woord moet die verandering in betekenis te danken hebben aan een behoefte om tegenover de louter rituele en voorgeschreven uitingen die van buiten af, vanuit de onverschillige buitenwerelds waren opgelegd, een gevoel te stellen dat spontaan was en helemaal van binnen uit kwam of in de intimiteit van de binnenkamer werd geïnterneerd, geïnd en wal zich daar nestelde. Je hoort het Kloos in 'zo innig' bij wijze van spreken nog declameren.

Het 'al-innigst wezen lijkt daarvan zeer de overtreffende trap en de kern te zijn, veroverd op een telkens weer te uitwendig blijkende schil van uiterlijkheden. Zo is 'intimus' in het Latijn de overtreffende trap van 'in', dus 'binnenste'. Nog bij Kloos is duidelijk dat 'innig' en 'innerlijk' in hun specifieke en dichterlijke betekenis, die zich bijna verzet tegen een ruimtelijke interpretatie gevormd moeten zijn vanuit een middeleeuws mystiek en devoot taalgebruik. De binnenkamer is in de Bijbel een plaats van afzondering, gebed en bezinning: “Wanneer gij bidt, gaat in uwe binnenkamer, en uwe deur gesloten hebbende, bid uwen Vader Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal u in het openbaar vergelden'. (Mattheus. 6.6). Het gebed dat daarna als voorbeeld wordt gegeven, was door een merkwaardig voorbestemd om onder de naam van 'Onzevader' in de kerken het meest openbare, luide en officiële gebed geworden. En mogelijk is de mystiek met zijn cultuur van de innigheid wel op te vatten als een verzet tegen die totale veruitwendiging van alles wat intiem en heilig is. Het daglicht, bij Kloos bijna een vijand van de innigheid, onthult alleen maar de waarheid die voor iedereen geldt, maar lijkt haar affectieve wortels le bedreigen. Die kunnen alleen maar, als in een moederschoot, gedijen in de schemering van de innigheid.

mailIcon print |