DEN HAAG - Oliver Knussen, vaste gastdirigent van het Residentie Orkest, moet op voorschrift van zijn lijfarts enige tijd rust houden. Vandaar dat hij de geplande concerten met het Haagse orkest aan collega's moet overlaten.
In de geest was Knussen vrijdagavond wel aanwezig, zijn in 1994 als opus 28 gecomponeerde hoornconcert ging in Nederlandse première. De componist/dirigent is volgens eigen zeggen verzot op de hoorn en aan wie kan een hoornconcert beter worden opgedragen dan aan Barry Tuckwell. Deze hoornist, 65 jaar geleden in Melbourne geboren, behoort tot de elite van de blazers. Die kwaliteit onderstreepte hij op het podium van de Anton Philipszaal in het Knussen-concert en in het hoornconcert van de jeugdige Richard Strauss.
Tuckwell, op en top het voorbeeld van een Engelse gentleman, blies beide concerten met ranke, glanzende, gloedvolle en klankrijke toon. Het romantisch getinte concert van Strauss zal hij al vele, vele malen gespeeld hebben, Knussen heeft technisch heel wat meer noten op zijn zang. Reeds bij de openingsmaten zet hij met heldere en energieke klanken de deur naar de toehoorder wijd open.
Knussen is van mening dat zijn muziek gehoord moet worden, zijn muzikale taal is dan ook voor een breed publiek verstaanbaar. Bovendien is hij kort en bondig, het concert vergt nauwelijks een kwartier. In dat tijdsbestek tovert hij met kleuren en klanken, zo lichtvoetig als ware het muziek om op te dansen. Het is vooral een dynamisch werk. De weergave door Barry Tuckwell viel niet of nauwelijks te overtreffen.
In oktober fungeerde George Pehlivanian bij het Residentie Orkest als invaller voor chefdirigent Svetlanov en hij deed dat zo voortreffelijk dat hij nu weer mocht invallen voor Oliver Knussen. Hij nam het programma ongewijzigd over en dat mag een bijzondere prestatie worden genoemd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.