*

 
dossier

Archief

KWAADAARDIG (3)

JOS TEMMINK − 24/01/96, 00:00

Op een januaridag in 1993 bevestigde de arts haar angstige vermoeden: Jos Temmink heeft kanker. Er volgden onderzoeken, ziekenhuisopnamen en operaties. Jos Temmink hield een dagboek bij van haar dagen van hoop en vrees. In de rubriek 'Kwaadaardig' staan fragmenten uit dit persoonlijke verslag. Deel 3.

Moet dit lijf worden gered? En wil mijn - nu nog ongebroken geest - dat wel? Om na weken, misschien maanden gefussel aan mijn lichaam en aandacht voor mijn bestaan, weer in onzekerheid en eenzaamheid te vervallen? Ik weet het niet. Ik moet de balans nog opmaken.

De hoop is dat de primaire wordt gevonden. “Anders bent u nòg uitzonderlijker.” Wordt het gevonden, dan is het 'wellicht geneesbaar'. Nog is er geen noodzaak Remke op te sporen in Nepal of India. Maar ik mis haar. Ik kan haar alleen poste restante schrijven. Dan schrijf je niet over deze rotziekte. En voor Lisette is het ook wel zwaar, zonder de steun van haar zuster, steeds opnieuw slecht nieuws over haar moeder te moeten aanhoren. Wat een klotesituatie.

Buiten zag ik de eerste krokussen. Ondanks dat ik er in november geen winterzorg aan gaf, lopen ook de kamperfoelie en enkele kruiden weer uit. “Wat een armetierig tuintje,” zegt Lisette. Ze heeft geen oog voor het ontluikende loof. De witte margrieten die nieuwe scheuten krijgen, de bes, de sering en de krenteboom. Ze jubelen heel langzaam naar een nieuwe lente toe. Hoeveel lentes zijn er nog voor mij? Ik heb me altijd een buitenmens gevoeld, al woonde ik het grootste gedeelte van mijn leven in miljoenensteden zoals Casablanca en Tripoli. Sinds enige jaren is dat pietepeuterige tuintje in het dorp waar ik woon een oase van rust. Maar dit jaar kijk ik ieder sprietje, zelfs het onkruid, de grond uit. Deze lente, die al zo vroeg begint, is van mij.

Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is. Ik zou die struisvogel willen zijn. Die gekke beesten met hun onelegante gewaggel en de blote, roze dijen. Trots en belachelijk zag ik ze door de Keniaanse steppen gaan. Ik zou hun spreekwoordelijke kop in het zand willen steken. Niet willen weten dat ik de langste tijd van leven gehad heb. Niet mijn kinderen nu al opzadelen met de dood van hun moeder. Ik ben 49 jaar, moet het echt al nu?

Waar is verdomme die spirit gebleven? Ik heb in mijn leven best wat voor mijn kiezen gekregen. Maar op de een of andere manier kwam ik er altijd weer bovenop. Nu kan ik toch wel wat snelgroeiende cellen aan? Die verwoekeren toch niet mijn geest.

Mijn huis ademt. Zussen Francis en Dorien en dochter Lisette slapen. Slapen ze echt? Morgen moet ik naar het AVL. “Niets bijzonders”, zeg ik, “gewoon wat onderzoeken, een gesprek.” We lachen de hele avond. Over van alles en niets. En ik proef, dat ieder van ons eigenlijk alleen aan de dag van morgen denkt. Vooral Lisette. En ik kan haar niets geven. Ik ben zelf zo verkrampt. Ik hoop de humor te bewaren. Te lachen, mee te lachen. Maar binnenin is het zó ijskoud. Daar woekeren die cellen, iedere dag, ieder uur, iedere minuut. De gloeiende kanker neemt bezit van mijn ijskoude lichaam. En Remke, de reislustige, weet nog niets. Die wandelt nog onbekommerd in de Himalaya. Ik zou wensen dat haar volgende week een andere thuiskomst te wachten staat. Een enthousiast gehoor voor haar verhalen. Nu zal haar zus haar opwachten. Om haar te vertellen waar zij en ik al drie maanden mee bezig zijn: Mijn kanker.

mailIcon print |