*

 
dossier

Archief

'Ik hoor liever de trap schrobben'

Jan Kuijk − 13/04/99, 00:00

Welke Nederlanders hebben zo'n grote invloed gehad op de twintigste eeuw, dat na hen de wereld niet meer dezelfde was? Beroemd, berucht of onderschat, wie veroorzaakte een wending in onze levenswijze, markeerde een doorbraak in ons denken? Met het eind van de eeuw in zicht blikt Podium iedere dinsdag terug op invloedrijke landgenoten in de afgelopen honderd jaar.

Nauwelijks dertien jaar (tussen 1932 en 1945) liet Anton Mussert zijn invloed gelden. Toch is het meer dan waarschijnlijk, dat hij een begrip blijft in de Nederlandse geschiedenis van de 20ste eeuw. Zeker is in elk geval dat er vandaag nog steeds mensen zijn (de kinderen van zijn volgelingen, de 'foute Nederlanders' uit de oorlog) die met het verleden belast zijn gebleven en daarom zijn naam vervloeken.

Mussert werd in 1894 in het Brabantse Werkendam geboren, studeerde weg- en waterbouwkunde in Delft, waar hij in 1918 cum laude ingenieur werd. Had hij zich maar aan het waterstaatswerk gehouden, dan was hij verzekerd van een eervolle voetnoot in de geschiedenis van midden-Nederland (zo loste hij het langslepende en netelige probleem van de afwatering van de Gelderse Vallei op). Maar voor hem was dat niet voldoende. Zijn ambitie en werkkracht was even groot als zijn nationalisme en dat bracht hem in 1925 met de landelijke politiek in aanraking. Hij werd de energieke secretaris van een Nationaal Comité van Actie tegen een verdrag met België, waarin Nederland (als uitvloeisel van het vredesverdrag van Versailles) aan België een kanaal van Antwerpen naar de Waal toezegde. Ontsluiting van het Duitse achterland voor Antwerpen zou Rotterdamse en Amsterdamse havens bedreigen. De Tweede Kamer aanvaardde het verdrag met 50 tegen 47 stemmen, maar daar liet Mussert het niet op zitten. Een gigantische anti-Belgische actie overspoelde het land. De Eerste Kamer kwam onder de indruk en verwierp met grote meerderheid (33 tegen 17) het verdrag.

Mussert kreeg de smaak te pakken en zijn toch al niet geringe eigendunk als organisator werd gestimuleerd. Eigenlijk miste hij voor de politiek de intuïtie en creativiteit. Hij ergerde zich bont-en-blauw dat in een vertegenwoordigend orgaan als de provinciale staten niet-deskundigen het laatste woord hadden over zijn prachtige plannen. Hij moest niets van het vertegenwoordigende stelsel hebben. Hij was een typische techneut, die nooit een roman las en aan wie muziek niet besteed was ('Ik hoor liever de trap schrobben') met een dwangmatig netheidsideaal (zijn bureau was altijd opgeruimd; bloknoot en potlood lagen lineaal-recht naast elkaar en tijdens een gesprek werden ze nóg eens en zo mogelijk nog netter herschikt), een nagelbijter ook.

Maar er moest wat gebeuren in Nederland - de nood was groot, zo voelde hij. Echte vrienden en geestverwanten had hij niet (hij was onhandig in het sociale verkeer en niet alleen daar: zijn vrouw gaf hem de bijnaam 'Boems'), maar samen met een commies van de provinciale griffie, Cornelis van Geelkerken, zag hij toch kans met vijf gelijkgezinden in 1931 in Utrecht de Nationaal-Socialistische Beweging op te richten.

Geen partij (daar waren er al te veel van), maar een beweging en 'nationaal-socialistisch', om het woord 'fascistisch' (plus in Nederland de kibbelende aanhangers van Mussolini) te vermijden. Een oriëntatie op Hitlers beweging in Duitsland moest er niet in gezien worden. Weliswaar kopieerde hij (zonder het vermogen zelf een programma te ontwerpen) Gottfried Feders' 'Das Programm der NSDAP und seine weltanschaulichen Grundlagen', maar de bepalingen over het antisemitisme en het Führer-principe nam hij - als strijdig met het Nederlandse volkskarakter - niet over. Van Hitlers straatterreur moest hij niets hebben; hij wilde de macht legitiem verkrijgen (dus via het parlement; om 't meteen af te schaffen).

Erg voorspoedig ging het aanvankelijk niet, maar bij de statenverkiezingen in 1935 (de eerste democratische krachtproef voor Mussert) behaalde hij bijna acht procent van de stemmen; goed voor twee zetels in de Eerste Kamer. Dat is ook het hoogtepunt voor de NSB, want bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 1937 bleek de aanhang gehalveerd. De NSB kwam in het isolement door de veranderingen die zich binnen de partij en bij Mussert zelf voltrokken. Hij richtte zich steeds meer op Duitsland (waar hij als nationalist doodsbenauwd voor was), ging op bezoek bij Hitler en Mussolini, liet zich in Nederlands-Indië (prachtig, 't autoritaire bestuur daar) fêteren.

Hij verdedigde in 1935 Mussolini's aanval op Abessynië, Duitslands herbezetting van het Rijnland in 1936 (Duitsland was weer 'baas in eigen huis') en de annexatie van Oostenrijk in 1938. Opportunistisch omarmde hij ook het door Rost van Tonningen in de NSB ingebrachte antisemitisme.

Mussert kwam, gedreven door ijdelheid, opportunisme en naïviteit, in een fuik terecht waaruit - zeker na 14 mei 1940 - geen ontkomen meer was. Hij zette al zijn kaarten op Hitler en zwoer hem zelfs in Berlijn trouw als 'Germaans Leider'; in zijn ogen iets anders dan Hitler als Rijkskanselier. In Musserts visie moest er een Europese statenbond komen; onder Duitse leiding, maar met een zelfstandig Nederland (en Vlaanderen) en Mussert als minister-president.

Het is hem na de oorlog zwaar aangerekend. Onmiddellijk na de Duitse capitulatie in mei 1945 werd hij gearresteerd en moest hij zich voor een bijzonder gerechtshof verantwoorden. Hij was vol zelfvertrouwen en gaf de aanklager zijn archief ter inzage: het zou dan duidelijk worden, dat hij - nationalist in hart en nieren - het Nederlandse belang had gediend. Eigenlijk moesten we het zo zien: de NSB was het bovengrondse verzet tegen Hitler. Het mocht hem niet baten. Hij had zich voor het Nederlandse volk stinkende gemaakt. Het gerechtshof veroordeelde hem conform de eis van de procureur-fiscaal tot de dood. Op 7 mei 1946 om zes uur werd het vonnis op de Waalsdorpervlakte door de kogel aan hem voltrokken. Vlak daarvoor had hij zich met Johan van Oldenbarnevelt en Johan de Witt vergeleken.

mailIcon print |