Afgelopen week werd de discussie, die is ontstaan over de door PvdA en D66 voorgestelde bezuinigingen op defensie, op deze Podiumpagina voortgezet. Dit keer door politicologen, die van mening waren dat zo'n belangrijk debat niet alleen aan militairen en aan politici in verkiezingstijd mag worden overgelaten. Daarvoor is het onderwerp te belangrijk, zo vonden zij.
Ik deel de visie van Honig, De Weger (Trouw, 13 januari) en Povel (Trouw, 16 januari) dat het een heel belangrijk onderwerp is, maar dat politici in verkiezingstijd daar niets over zouden mogen zeggen gaat natuurlijk te ver. Het zijn juist de politici die aan de burger moeten kunnen uitleggen waarom zij bepaalde keuzes maken.
Als het aan de VVD ligt, wordt er in de komende kabinetsperiode niet op defensie bezuinigd. Voor de onderbouwing van die keuze zijn verschillende argumenten. Ik noem er enkele.
Allereerst is de afgelopen jaren de veiligheidssituatie niet wezenlijk veranderd. Bij de aanbieding van de defensiebegroting voor 1998 heeft de regering dit nog eens bevestigd. Alle grote politieke partijen hebben daarmee ingestemd. Het is daarom merkwaardig dat de PvdA en D66 opnieuw pleiten fors op de krijgsmacht te willen bezuinigen. Voor hen is het defensiebudget blijkbaar niet meer dan een grabbelton. Bij die partijen wordt de visie op het defensie- en veiligheidsbeleid beheerst door korte termijn denken. Immers een stabiele wereldordening tekent zich nog niet af.
In de tweede plaats wil Europa steeds meer eigen verantwoordelijkheid dragen. Dat is ook nodig. De Verenigde Staten willen immers niet eindeloos het leeuwenaandeel voor de veiligheid in Europa voor hun rekening blijven nemen. Maar de politieke ambitie van de Europese Unie steekt schril af bij haar eigen militaire mogelijkheden. Militair optreden door de Europese landen is tot nu toe alleen mogelijk met militaire steun van de Verenigde Staten. Willen de Europese landen die afhankelijkheid verkleinen dan zullen de defensiebudgetten eerder verhoogd dan verlaagd moeten worden. Wat dat betreft ben ik het eens met de zienswijze van Povel die in zijn artikel het belang van de transatlantische band nog eens benadrukt.
In de derde plaats zullen forse bezuinigingen onherroepelijk leiden tot een nog kleinere krijgsmacht. In de vele artikelen, die de afgelopen weken over de krijgsmacht zijn verschenen, is nauwelijks aandacht besteed aan het feit dat de zorg voor de Europese veiligheid een gezamenlijke verantwoordelijkheid is. De NAVO vormt nog steeds de hoeksteen van het Nederlandse veiligheidsbeleid. Wil Nederland zijn positie en invloed binnen die organisatie behouden, dan is verdere reductie van het budget niet gewenst. Het NAVO-lidmaatschap is geen gratis ritje. In de afgelopen jaren is het juist Nederland geweest dat heeft gewaarschuwd voor renationalisatie van het defensiebeleid. Nieuwe bezuinigingen staan haaks op deze inzet.
Grin stelt in zijn artikel dat tot nu toe nog geen politicus het heeft aangedurfd om twee vraagstukken aan de orde te stellen. Is de krijgsmacht berekent om op te treden tegen nieuwe bedreigingen en zijn wij bereid, ter bevordering van de internationale rechtsorde, Nederlandse militairen in risicovolle omstandigheden in te zetten? Als politicus wil ik die handschoen graag oppakken. Wat de eerste vraag betreft zijn de directe bedreigingen van onze veiligheid anders dan voorheen. Ik deel de mening van diegenen die stellen dat wij ook rekening moeten houden met bedreigingen die afkomstig zijn van zogenaamde 'non-state actors', variërend van radicale groeperingen tot de georganiseerde misdaad. Juist om die reden heeft de VVD meerdere malen gepleit om de middelen van de krijgsmacht ook in te zetten tegen bedreigingen die liggen op het kruisvlak van interne en externe veiligheid. Juist onder meer om die reden is de capaciteit van commando's en mariniers uitgebreid. Dat gewijzigde veiligheidsbeeld geldt ook voor de rol van de nucleaire en chemische wapens. De dreiging komt niet meer uit het Oosten maar nu van landen zoals Irak, Iran en Libië. Deze landen werken er hard aan om de reikwijdte van hun ballistische raketten te verbeteren zodat zij ook Europa kunnen bereiken. Ook tegen die dreiging moet de krijgsmacht zich wapenen. Dat laat de militaire capaciteit onverlet die de Westerse landen in vredestijd altijd beschikbaar moeten hebben om agressie, zoals destijds door Irak tegen Koeweit begaan, teniet te kunnen doen.
Wat de tweede vraag betreft - de politieke bereidheid tot inzet van Nederlandse militairen in risicovolle situaties - blijft die bereidheid aanwezig, mits zij in verhouding staat tot de belangen op het spel. Het moet duidelijk zijn waarom en waarvoor wij in het uiterste geval mensenlevens op het spel willen zetten. Los hiervan moeten wij beseffen dat militaire middelen geen haarlemmerolie zijn; zij zijn geen recept tegen alle kwaad. Zorgvuldige afweging van de militaire haalbaarheid blijft geboden. Het door de Tweede Kamer aanvaarde Toetsingskader voor uitzending van militaire eenheden geldt voor de VVD hierbij als uitgangspunt.
Zo lang er in West-Europa geen sprake is van een direct militaire dreiging, wordt er met gretigheid naar het defensiebudget gekeken. Hoe begrijpelijk dat ook is, dient men hier niet voor te zwichten. De internationale veiligheid is immers een stuk minder overzichtelijk dan voorheen. De krijgsmacht moet als altijd voorbereid zijn op het onverwachte. Daarenboven verwachten de burgers van de overheid dat deze verder kijkt dan de dag van morgen. Voor de instandhouding van de krijgsmacht is nog steeds een breed publiek draagvlak. De steun hiervoor verschilt nauwelijks van die tijdens de periode van de Koude Oorlog. De samenleving heeft blijkbaar meer historisch besef dan de politici van PvdA en D66. De afbouw van een krijgsmacht kost niet veel tijd. De opbouw daarentegen wel. Nederland heeft zijn neutraliteit al decennia lang achter zich. Veiligheid en internationale solidariteit kennen echter een prijs. Politieke partijen moeten hier niet voor weglopen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.