*

 
dossier

Archief

Meedoen is (bijna) het ergste wat er is

KOEN KOCH − 04/01/97, 00:00

Als u dit om een uur of negen leest, hoop ik het Slotermeer al ver achter me gelaten te hebben. Ik rijd dan over de Luts, richting Stavoren. Misschien heb ik toen ik door Balk reed even de eerste regels van de Mei van Gorter opgezegd. Aan Balk immers dacht de dichter, die overigens ook een voortreffelijk schaatser was, toen hij zo prachtig schreef over een 'stadje langs de watergracht'.

Misschien heb ik die regels ook wel niet geciteerd. Al schaatsend heb je je gedachten niet helemaal onder controle. Of liever, je concentreert je aandacht maar op één ding, het ijs voor je, die scheur net links, het rugzakje van je voorganger, die onweerstaanbaar opkomende pijn in je rechter heupgewricht. Een poëtisch moment van onoplettendheid kan dan fataal zijn. Je trapt in een scheur, schaatsbreuk, en je kan na een paar uur al naar huis.

Vorig jaar nog waren ze, geloof ik, juist in Balk, de uitvinders van de ijstransplantatie. Dat was daar nu niet nodig, en van een nieuwe lente is nog lang geen sprake. Het is puur winter, maar dat wist u al.

Denk niet dat het schaatsen van een Elfstedentocht echt leuk is. Voor de wedstrijdrijders natuurlijk al helemaal niet. Precies op deze ene dag moeten ze bewijzen wat ze waard zijn, en allemaal op één na, zullen ze falen, zonder de mogelijkheid van een herkansing. Voor de toerrijders kan het leuk zijn, niet al te koud, een matig windje, geen sneeuw.

Kan het leuk zijn, schrijf ik, en dat kan wanneer je in topconditie bent, je het hele jaar door traint, niet drinkt, matig eet. Een aantal van de toerrijders heeft zich op deze wijze voorbereid, maar een aanzienlijk aantal ook niet. Bovendien, het grootste deel van het Elfstedenpeloton, de leden van de vereniging, mezelf incluis dus, zijn allemaal sinds de laatste keer tien jaar ouder geworden. Dat gaat je ook niet in de kouwe kleren zitten.

Ik zelf heb onvoldoende getraind. Dat zeg ik niet om me vooraf te verontschuldigen, het is vooral uit schaamte over die gebrekkige voorbereiding. Als ik de Tocht uitrij, net zoals in 1985 en 1986, is dat omdat de omstandigheden goed waren en het schaatsersgeluk me niet in de steek heeft gelaten. Trouwens, hoe zou je je eigenlijk echt perfect kunnen voorbereiden op zo iets merkwaardigs als tweehonderd kilometer schaatsen?

Het gebrek aan voorbereiding is makkelijk verklaard: te drukke werkzaamheden, het goede leven van drank en spijs, klachten over kortademigheid, en op de Jaap Edenbaan, waar de oefenrondjes bij gebrek aan natuurijs moeten worden afgelegd, regent het bovengemiddeld, wat natuurlijk ook niet bevorderlijk is voor het consequent volgen van een trainingsprogramma. En dan de zomertraining, zeg nu zelf, kan je je het als man van over de vijftig veroorloven om je op een zanderig bospad in het zweet te werken met als enige rechtvaardiging de Elfstedentocht, waarvan iedereen weet, vooral 's zomers, dat hij vanwege het broeikaseffect toch niet meer komt.

Maar de Tocht is er dus weer, en ik doe mee. Niet omdat het leuk is. Ik weet namelijk uit ervaring dat 'leuk' echt iets anders is. Natuurlijk, er zijn de glorieuze momenten van een redelijke snelheid, wind in de rug, spiegelend ijs, de toejuichingen van het publiek. Maar er is vooral de kou, de pijn, de valpartijen in het donker, het eindeloze stuk Finkumervaart (als ik zo ver kom).

Meedoen is het ergste wat er is, op niet meedoen en thuis zitten na. Daarom dus.

mailIcon print |